Dan

Dan (hebreeuws dān, hangt mischien samen met het verbum dīn = een rechterlijk oordeel vellen) was de zoon van Jakob en Bilha, de slavin wier kinderen golden als die van Rachel (Gn 30,4-6). Zijn naam ging over op een stam, die oorspronkelijk het gebied bewoonde tussen Zora en Estaol (Joz 19,40-48; Ri 1,34; 13,2). Doordat de kleine stam zich hier niet kon handhaven trok men naar het noorden en vond een woonplaats aan de voet van de Hermon. Hier werd de stad Laïs veroverd, verwoest en uitgemoord. Na de herbouw werd de naam veranderd in D. (Ri 18). De zegenspreuk van Mozes over D. zegt dat hij een leeuwenwelp is die uit Basan te voorschijn springt (Dt 33,22). De christelijke exegese heeft belangrijke conclusies getrokken uit de zegenspreuk van Jakob (Gn 49,16-18), omdat hier D. vergeleken wordt met een slang op de weg, die in de hielen van het paard bijt. Men zag verband met Gn 3,15 en las daarom in de profetie dat de antichrist uit D. zou voortkomen. Openb 7,4-8 ontbreekt de naam D. in de optelsom der stammen die verzegeld waren.

De stad D. ligt op de plaats van de puinheuvel tell el-qādī (arabisch: de heuvel van de rechter). Deze naam kan een herinnering bewaren aan de oude betekenis van D. Over de oorsprong worden we uitvoerig ingelicht door Ri 18, waarin het verhaal van de priester die met zijn godenbeeld door de Danieten bij zekere Micha is geroofd. Het feit dat Jerobeam na de afval van de noordelijke stammen onder Salomo hier een koninklijke tempel liet oprichten wijst er op, dat van oudsher een heilige plaats aanwezig is geweest (1Kg 12,29; 2Kg 10,29; Am 8,14). De grootste afstand tussen noord en zuid wordt wat betreft Israël in het OT enige malen uitgedrukt met: van D. tot Berseba (Ri 20,1; 1Sm 3,20; 2Sm 17,11).


Lit. H. H. Rowley, The Danite Migration to Laish (Expository Times 51, 1939/40, 466-71). B. Mazar, The Cities of the Territory of Dan (Isr. Expl. J. 10, 1960, 65-77). H.-J. Zobel, Stammesspruch und Geschichte (BZAW 95; Berlin 1965, 8897). [Beek]


Afkortingen Lijst van Namen