Debora (hebr. debōrāh = honingbij):
(1) Debora, de voedster van Rebekka (Gn 24,59; 35,8)
(2) Debora, de profetes, die Barak opriep tot de strijd tegen
de Kanaänieten (Ri 4,4-5,31). Zij was de vrouw van
Lappidot en woonde onder de D.palm, waar zij
recht sprak. Zij wordt gerekend tot de
richters en
een 'moeder van Israël' genoemd. In werkelijkheid
was het gebied waar zij autoriteit had, beperkt tot
de omgeving van de Kison in het noorden, maar
volgens de theologische geschiedschrijving van het
OT was geheel Israël vertegenwoordigd waar God
regeerde door middel van de geest, die de richter
bezielde. Naar haar is genoemd het D.lied, een overwinningslied
dat bezingt hoe Sisera verslagen en op
zijn vlucht gedood werd door Jaël. Het is stilistisch
verwant met Ps 68 (zie hierover F. Lipinski, Bb 48,
1967, 185-206). Op filologische gronden houdt men
het lied voor zeer oud en zelfs contemporain met de
gebeurtenissen die het bezingt. Het prozaverhaal in
Ri 4 zou jonger zijn. Dit is echter tegen de algemene
regel volgens welke historische gebeurtenissen eerst
in later tijd op epische wijze bezongen worden.
Lit. M. Buber, Der Glaube der Propheten (Zürich 1950) 20-27.
G. Gerleman, The Song of Deborah in the Light of Stilistics
(VT 1, 1951, 1 68-180).
[Beek]