Esau

Esau (hebr. 'ēšāw: ruw behaard), zoon van Isaäk en Rebekka, de oudste van de tweeling E. en Jakob, die volgens Gn25,27-34 zijn eerstgeboorterecht voor een rode moes verkocht aan zijn broeder, volgens Gn 27 de eerstgeboortezegen verloor door een bedriegelijke list van Jakob. Gn 32,8-33,16 beschrijft de verzoening tussen de broeders. Volgens deze verhalen speelt de tegenstelling tussen de jager en de landbouwer-veehoeder een rol in het conflict. De etymologie van de naam brengt hem in verband met s'ee'iir, wat ook 'harig' betekent. Bovendien wordt hij gelijkgesteld met Edom in Jr 48,8-10 en Mal 1,2v. Daarom is het mogelijk, dat men in de overvleugeling van Edom door Israël een weerspiegeling heeft gezien van de verhouding E.-Jakob, of omgekeerd. Gn 36,1-8 en 9-19 vermelden de edomitische geslachten, die uit het huwelijk van E. met niet-israëlitische vrouwen zijn voortgesproten.

Paulus heeft de verhouding van Jakob en E. typologisch geïnterpreteerd als de vrije verkiezing door Gods genade, die onafhankelijk van verdiensten souverein verwerpt en verkiest (Rom 9,13). Hebr 12, 16 volgt het voetspoor van de moraliserende exegese der rabbijnen en verwijt E. zijn materialisme, waarop de bijbeltekst niet expliciet zinspeelt.


Lit. H. Odeberg (ThW 2, 957v). StB 3, 167v; 748v. V. Maag, Jakob-Esau-Edom (ThZ 13, 1957, 418-429). [Beek]


Afkortingen Lijst van Namen