(I) De naam Isaak, hebr. jisḥāq, (Gn 21,3-6) of
jišḥāq (Ps 105,9; Jr33,26; Am 7,9.16) is een verkorting,
waaraan het theofore element ontbreekt, en
betekent: de godheid moge lachen of heeft gelachen.
Ugarit kent het lachen van EI als teken van vreugde
of minzaamheid. In Gn21,6 wordt de naam verklaard
met het lachen van Sara (vgl. 17,17.19; 18,
12-15), en met dat van het volk, als uitdrukking van
vreugde of verwondering bij de geboorte van het
kind. In de bijbelse genealogie is I. de plechtig beloofde
zoon van Abraham en Sara (Gn 21,1-8). Hij
huwde met Rebekka, de dochter van de Arameeër
Betuel (Gn 24). In de patriarchenverhalen is hij een
tamelijk vage figuur, die weinig op de voorgrond
treedt; zijn naam is verbonden met bronnen in de
nabijheid van Gerar en Berseba (Gn 26). Volgens Gn
35,27-29 werd hij begraven in het familiegraf van
de Makpela. In het NT is I. onze vader (Rom 9,10),
kind der belofte (9,7-9; Gal 4,28-31) en geloofsheld
(Hb 11,20). De door God (Elohim) aan Abraham
bevolen, maar eveneens op Gods bevel niet voltrokken
opoffering van I. in de streek van de Moria betekende
een beproeving, waartegen het geloof van
Abraham bestand was (Gn 22). Het merkwaardige
verhaal heeft enerzijds de tendentie, de door de
Kanaänieten bij gelegenheid gebrachte mensenoffers
als Gode onwelgevallig voor te stellen, anderzijds
heeft het de bedoeling, de theofanie en de naam
Moria op populaire wijze te verklaren.
Lit. H. Odeberg (ThW 2, 191v). M. Noth, Ueberlieferungsgeschichte
des Pentateuch (Stuttgart 1948) 112,-127. J. J. Stamm,
Der Name Isaak (Festschrift-Schädelin, Bern 1950, 33-38).
J. H. Schoeps, The Sacrifice of Isaac in Paul's Theology (JBL
65, 1946, 385-392). J. Daniélou, La typologie d'Isaac dans le
christianisme primitif (Bb 28, 1947, 363-393). A. George, Le
sacrifice d'Isaac (Ét. de crit. et d'hist. rel., Lyon 1948 ,99-110).
D. Lerch, Isaaks Opferung in der Auslegungsgeschichte (ThZ
5, 1949, 321-338). Id., Isaaks Opferung, christlich gedeutet
(Tübingen 1950). J. L. McKenzie, The Sacrifice of Isaac
(Script. 9, 1957, 79-84). [v.d.Born]
(II) De naam Isaak komt ook voor als eigennaam van christenen:
(1) Isaak de Grote (Sahak), patriarch van
Armenië
van 390-439. Onder hem werd Armenië losgemaakt
uit de metropolitane band met Caesarea. L kreeg de
titel catholicus. De invloed van de Perzen was in
deze tijd sterk (in 425 werd hij tijdelijk door hen afgezet).
In 435 accepteerde I. de besluiten van het
concilie van Ephese. Hij voerde het armeens in taal
en geschrift in de liturgie in en heeft zich persoonlijk
ingezet voor het tot stand komen van een armeense
bijbelvertaling en de basis gelegd voor een nationale
armeense literatuur. Volgens de traditie zouden
vele armeense hymnen op hem teruggaan. Het is wel
onjuist dat hij de maker zou zijn van de Armeense
Liturgie.
Lit. Drie brieven zijn door Moses van Chorene bewaard in
zijn Geschiedenis van Armenia Maior (3,57); andere zijn uitgegeven
(in het armeens) door J. Izrniveautz in zijn Brievenboek
(Tiflis 1901). - Bardenhewer 5, 195-197.
(2) Isaak (of Isaates), joods bekeerling uit de 4e eeuw,
later weer tot het jodendom teruggegaan. Hij verdedigde
de tegenpaus Ursinus tegen Damasus (372);
door een beslissing van keizer
Gratianus werd hij
naar Spanje verbannen. Hij is de schrijver van een
kort Liber fidei. Velen zien in hem de auteur van
de Quaestiones Veteris et Novi Testamenti en van
de Ambrosiaster.
Lit. Uitgaven: Liber fidei door A. Hoste (Corpus Christianorum
9, Turnhout 1970, 331-348); Quaestiones door A. Souter
(CSEL 50); Ambrosiaster door H. J. Vogels (CSEL 81). G.
Bareille/E. Mangenot (DThC 8, 1-8). Bardenhewer 3, 521-525.
- A. Souter, The earliest Latin Commentaries on the
Epistles of St. Paul (Oxford 1927) 44-49. C. Martini, Ambrosiaster
(Rome 1944).
[Bartelink]