Gog (hebr. gōg), apocalyptische figuur in Ez38v,
aanvoerder van vijandige machten die aan het einde
der tijden in een geweldige kamp tegen Israël zullen
strijden, maar verslagen worden, waarna een eeuwige
vrede zal heersen. Hij wordt genoemd (Ez 38,3) de
koning van Ros (onbekend), Mesek en Tubal (twee
kleinaziatische volken), een gebied dat samengevat
wordt onder de benaming 'land van de māgōg', dat
misschien het land van de Macedoniër
Alexander de
Grote aanduidt. Deze maagoog is dan in Openb 20,8v
een zelfstandige figuur naast G. geworden. Zelf zal
Ez in de figuur van G. een tweede Agag (Nm 24,7),
de erfvijand van Israël, gezien hebben. De G.-perikopen
van Ez hebben een enorme invloed uitgeoefend
op de latere apocalyptiek (Hen 56,4-8; 4Esd
13) en de NTische Openb (19,17v; 20,7-10), waar G.
en Magog de twee koningen zijn die aan het einde
der tijden door de boze geesten opgeroepen worden
om tegen het volk Gods te strijden, maar verslagen
worden op de plaats die in het hebreeuws Harmagedon
heet (16,16); in 20,7-10 worden ze na het duizendjarig
rijk door de duivel ten strijde opgeroepen
en door vuur van de hemel verteerd.
Lit. K. Kuhn (ThW 1, 790-792). J. G. Aalders, Gog en Magog
in Ezechiël (Kampen 1951). G. Gerleman, Hesekielbogens
Gog (Upps. Univ. Aorsbok 12, Uppsala 1947, 148-162). A.
van den Born (OTS 10, 1954, 197-201). [v.d. Born]