Ezechiël

Ezechiël, een OTische profeet, (hebr. jehezq'ēl = God make sterk), de zoon van Buzi, was evenals zijn vader priester in Jeruzalem. Tegelijk met Jojakin werd hij in 597 vC in de ballingschap naar Mesopotamië weggevoerd. Biografische gegevens over de profeet ontbreken vrijwel geheel. Uit het naar hem genoemde bijbelboek vernemen we dat hij, na vijf jaar in de ballingschap geleefd te hebben, in een visioen geroepen werd de ondergang van Jeruzalem te verkondigen onder zijn medeballingen. Hij moest zijn volksgenoten de valse hoop op een spoedige terugkeer ontnemen. De stad moest wegens de overtredingen der inwoners eerst een Ioutering ondergaan, het oordeel was onafwendbaar.

Hij bracht de boodschap in lange toespraken en door symbolische handelingen. Hij bestreed dezelfde misbruiken als waartegen Jeremia had gepredikt. De hypothese, dat deze prediking, die Ez 1-24 omvat, zou stammen uit de jeruzalemse periode is wel naar voren gebracht maar vindt nog slechts weinig aanhang. Toen Jeruzalem inderdaad in 587/86 verwoest was, had hij als profeet wiens woorden uitkwamen (Dt 18,22) aan gezag gewonnen.

Daarna begon een tweede fase in zijn prediking. Met de ondergang van stad en tempel en de tweede wegvoering in de ballingschap was de verdiende straf voltrokken en werd het uitzicht op herstel geopend. De hoofdstukken 25-32 gewagen van een strafgericht over de vijanden van Gods volk. Daarna volgt de heilsprofetie (35-38), een boodschap, die hij veertien jaar lang heeft verkondigd. Zozeer geloofde hij in de bevrijding, die op de loutering zal volgen, dat hij een plan gereed maakte voor de herbouw van de tempel.

tekst

Hoewel het naar de profeet genoemde bijbelboek in de ik-vorm is geschreven (behalve 1,3 en 24,24) en hij in tegenstelling tot Jesaja en Jeremia zijn psychische ervaringen uitvoerig beschrijft, weten we over zijn persoonlijk lot zo goed als niets. Hij was gehuwd en er wordt gezinspeeld op de vroege dood van zijn vrouw (24,18). Volgens een notitie bij Pseudo-Epiphanius zou hij in Babel door een volksgenoot vermoord zijn.

De stijl van het boek is karakteristiek door een barokke vormgeving en ingewikkelde beelden, die hem later de bijnaam gaven van 'vader der apocalyptiek'. Hoezeer hij zich een geïnspireerde wist, blijkt uit het visioen van de boekrol, die hem te eten werd gegeven en waarvan de smaak zoet was als van honing. Deze was aan de voor- en achterzijde beschreven met de onheilswoorden, die hij over zijn volksgenoten moest uitstorten (2,9-3,4). Hij kon slechts weergeven wat hem, schier zintuigelijk waarneembaar, was ingegeven.

Zijn prediking sluit in vele opzichten bij die van Jeremia aan. Dit blijkt o.a. uit de nadruk die gelegd wordt op de persoonlijke verantwoordelijkheid in een spreuk, die door beide profeten geciteerd wordt (18,2 = Jr 31,29). Wel is de afstand tussen de heilige God en de mens groter geworden. Dit komt tot uiting in de titel 'mensenzoon' waarmee de profeet zich aangesproken weet en ook in de beschrijving der visioenen, waarbij slechts aanduidenderwijs gesproken kan worden over wat er gezien is. Er treedt een bemiddelende engelgestalte op, die als angelus interpres de betekenis van het visioen uitlegt.

Ook in de fase van de onheilsprediking is bij E. nooit twijfel gerezen aan de uitverkorenheid van het volk waartoe hij behoorde. Israël en zijn God zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden (11,20). Daarom kan de ballingschap slechts een tijdelijke beproeving zijn. Wanneer het volk een nieuw hart en een nieuwe geest heeft gekregen (11,19) zal het uit de ballingschap worden bevrijd, zoals het weleer uit Egypte was uitgeleid. Er komt een terugkeer naar de bodem, die aan de vaderen beloofd is. Daar zal Israël als één volk wonen (36,30) en geleid worden door één herder (37 ,22-24). De figuur van deze herder draagt heilshistorische trekken, maar is niet dezelfde als de door Jesaja aangekondigde messias. De in het NT aangehaalde teksten (17,22-24; 34, 23v; 37,24v) worden dan ook niet in Messiaanse zin geïnterpreteerd.

Voor E. karakteristieke profetieën zijn: het visioen van de vreemde eredienst in de tempel na de eerste wegvoering (8,1-18), Ohola en Oholiba als gestalten van het ontrouwe Juda en Israël (23,1-49), het klaaglied over Tyrus (26-28,19), het visioen van het dal met de dorre doodsbeenderen (37) en de profetie tegen Gog en Magog (38-39,8).

De literaire kritiek heeft de vraag opgeworpen, welke gedeelten aan de profeet en welke aan latere toevoegingen moeten worden toegeschreven. Hölscher meende slechts 170 van de 1273 vss voor 'echt' te kunnen houden. Hedendaagse exegeten als Fohrer, Rowley, Eichrodt en Zimmerli menen in het voetspoor van Herrmann, dat de hoofdzakelijke inhoud van de profeet afkomstig is en dat deze door latere handen niet zo ingrijpend is bewerkt. Van den Born kwam na grondige studie van de literaire verhouding tot andere bijbelboeken tot de conclusie dat er afhankelijkheid is van na-exilische literatuur en spreekt daarom van een pseudo-epigrafisch geschrift in de vorm van een autobiografie.

In de elfde grot van Qumran werden fragmenten van de hebr. tekst gevonden en door W. H. Brownlee gepubliceerd in Rev. de Qumran 4, 1963, 11-28.


Uitgave met vertaling en commentaar: H. Jacobson, The Exagoge of Ezekiel (Cambridge 1982). Comm. J. Herrmann (Leipzig 1924). A. Troelstra (Groningen 1931). G. A. Cooke (Edinburgh 1936). A. van den Born (Roermond 1954). A. Bertholet/K. Galling (Tübingen 1936; 2e ed. door G. Fohrer/K. Galling, ib. 1955). W. Eichrodt (Göttingen 1966). W. Zimmerli (Neukirchen 1955-1968). Lit. G. Fohrer, Die Hauptprobleme des Buches E. (Berlin 1952). A. van den Born, E. - Pseudo-epigraaf? (Stud. Cath. 28, 1953, 94-104). H. H. Rowley, The Book of E. in Modern Study (BJRL 36, 1953/54, 146-190 = Man of God, London 1963, 169-210). G. Fohrer, Das Symptomatische der E.-Forschung (ThLZ 83, 1958, 241-250). H. Graf Reventlow, Wächter über Israel. E. und seine Tradition (BZAW 82, Berlin 1962). R. Frankena, Kanttekeningen van een assyrioloog bij E. (Leiden 1965). W. Zimmerli, The Special Form- and Traditio-Historical Character of E.'s Prophecy (VT 15, 1965, 515-527). H. J. van Dijk, E.'s Prophecy on Tyre. A New Approach (Rome 1968). [Beek]


Afkortingen Lijst van Namen