Hosea

Hosea (hebr. hōšē'ă = hij [God] heeft geholpen, LXX Ωσηε, Vg Osee) is volgens de rangorde van de masoreten de eerste in de serie der z.g. Kleine Profeten. Wat betreft het milieu en de levensomstandigheden van deze profeet is onze kennis beperkt tot de schaarse gegevens van het naar hem genoemde bijbelboek. Hij was de zoon van zekere Beëri en trad op tijdens de schijnbaar rustige nadagen van Jerobeam II, koning van het noordelijk rijk Israël en in de woelige periode van paleisrevoluties en oorlogen, die resulteerden in de val van Samaria en de ondergang van Israël. De prediking van H. reageert op de historische omstandigheden: blijkens 1,4 zit de dynastie van Jehu nog op de troon, de snelle troonswisseling vindt weerklank in 7 ,3vv.16; 8,4, de z.g. syro-efraïmitische oorlog in 5,8-6,6, het betalen van tribuut aan Assyrië in 8,9v, het steun zoekend, nu eens bij Assyrië, dan weer bij Egypte in 5,13; 7,11 en 12,2, het lot van Samaria in 14,1. In die tijd regeert als laatste koning van Israël iemand die ook H. heet (732-724) en door Tiglatpileser III genoemd wordt (AOT 348; ANET 284). De prediking van H. wordt gekarakteriseerd door de twee huwelijken van de profeet, waarbij het niet geheel duidelijk is of in het tweede huwelijk de ontrouwe eerste vrouw wordt teruggenomen of een andere vrouw wordt gehuwd wier ontrouw te verwachten is. Het meest waarschijnlijk is dat beide huwelijken bedoeld zijn als bewuste symbolische handelingen, die de verhouding tussen God en zijn volk uitbeelden. Dat profetische prediking een reflectie zou bieden van persoonlijke smartelijke ervaring is onwaarschijnlijk en wordt ook door de tekst weersproken. De profeet handelt in opdracht van Jahwe. Zijn kinderen krijgen namen die de situatie vertolken: Jizreël, geen erbarmen, niet mijn volk.

De profeet is opgetreden in het noorden en zijn taal is het noordelijk dialect van het hebreeuws. Hij is moeilijk verstaanbaar wegens de vele zeldzame woorden en ook wegens zijn zinsbouw. Ten onrechte is de onverstaanbaarheid, die reeds de oudste vertalers in verlegenheid bracht, toegeschreven aan een corrupte tekstoverlevering. De taalbeheersing van de profeet is zeer groot, zoals blijkt uit zijn woordspelingen, herhalingen, alliteraties, assonanties en klankrijmen. Hij drukt zich dikwijls uit op de wijze van de chochrnatische literatuur door spreekwoorden, vergelijkingen en optellingen van natuurverschij nse len.

tekst

Het naar hem genoemde bijbelboek is te verdelen in drie grote eenheden: 1-3, 4-11, 12-14. Het eerste gedeelte stamt uit de Jerobeamperiode. In het gehele boek klinkt evenals in dat van zijn tijdgenoot Amos het thema van de gerechtigheid, maar zwakker en overstemd door de polerniek tegen een synkretistische kanaänitisch-israëlitische religie, die aan de eredienst voor mannelijke en vrouwelijke vruchtbaarheidsgoden een ruime plaats heeft gegeven. In de woorden van de profeet treedt Jahwe op als aanklager en rechter, maar ook met de stem van de klacht en het medelijden met het misleide volk. Het vormhistorisch onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat het taalgebruik is ontleend aan dat van de rechtspraak, maar ook van de liturgie, zoals in de boeteteksten 6,1-6, 14,2-9 en in die van de proclamatie van Jahwe als redder uit Egypte in 12,10 en 13,4.

De eredienst van de kanaänitische vruchtbaarheidsgoden wordt bij herhaling gezien onder het beeld van de echtelijke ontrouw. Israël is door een verbond als dat van het huwelijk met J ahwe samengeklonken. Dit verbond is éénzijdig verbroken. Daarnaast speelt het beeld van het kind, dat in de woestijn door Jahwe is gevonden en dan als een zoon is aangenomen en opgevoed. Tegenover de ontrouw van de vrouw, van het opgewassen kind, staat de barmhartigheid van God, die toornt, verstoot en met onuitputtelijke geduld terugkeert en weer in genade aanneemt.

De invloed van de prediking van H. is zeer groot bij Jeremia en de tweede Jesaja (50,1; 54,4vv; 62, 4vv) en is ook merkbaar in de interpretatie, die het Hooglied werd gegeven.


Comm. C. van Gelderen/W. H. Gispen (Kampen 1953), F. Nötscher (1948), D. Deden (1953), H. W. Wolff (1961), C. van Leeuwen (1968).
Lit. H. S. Nyberg, Studien zum Hoseabuche (Uppsala 1935). L. Dürr, Altorientalisches Recht bei den Propheten Amos und Hosea (BZ 23, 1935, 150-157). G. Fohrer, Umkehr und Erlösung beim Propheten Hosea (ThZ 11, 1955, 161-185). A. Feuillet, L'universalisme et l'alliance dans la religion d'Osée (Bible et vie chrétienne 18, 1957, 27-35). G. Oestborn, Yahwe und Baal (Lund 1956). M. J. Buss, A Form-Critical Study in the Book of Hosea (Diss. Yale Univ. 1958). [Beek]


Afkortingen Lijst van Namen