Mattheüs-evangelie (afk. Mt).
(I) Auteur. Schrijver van het eerste ev is volgens het oudste getuigenis (Papias, zie Evangelie) Mattheüs, die de λόγια in de hebreeuwse taal heeft samengesteld. Wanneer dit getuigenis juist is, heeft er een thans verloren geraakt aramees ev bestaan, dat hoofdzakelijk woorden van de Heer bevatte en waarvan het huidige ev een directe of indirecte vertaling is. Men identificeert dit oer-evangelie, of althans één van de vele vertalingen die er volgens Papias van gemaakt zijn, wel met de (hypothetische) 'Logienquelle' (Q). die door Mt en Lc als gemeenschappelijke bron is benut naast Me. Wanneer deze hypothese juist is, moet de redacteur van het tegenwoordige ev het werk niet alleen vertaald maar ook aanzienlijk uitgebreid hebben. Deze redacteur schijnt een palestijnse Jood geweest te zijn, want hij blijkt goed op de hoogte te zijn van de plaatselijke omstandigheden. Men vermoedt voorts dat hij een rabbijnse scholing gehad heeft, gezien zijn manier van Schriftgebruik (vgl. 13,52). Minder waarschijnlijk lijkt de identificatie met de tollenaar Levi, omdat diens identificatie met Mattheüs reeds onzeker is. De griekse Mattheüs wordt reeds tegen het eind van de 1e eeuw met gezag geciteerd (Didache, Clemens Romanus).
(II) Inhoud. Bijna de hele stof van Mc is in Mt terug
te vinden Ook de volgorde van verschillende
scènes is dezelfde, ofschoon deze niet op historische
feiten berust. De prioriteit van Mc ten opzichte van
Mt is daarom een vrij algemeen aanvaard uitgangspunt.
Daarnaast heeft Mt een andere gemeenschappelijke
bron (Q) met Lc gehad, die echter moeilijk af
te bakenen valt en waarschijnlijk dichter bij de mondelinge
traditie stond. Tenslotte heeft Mt (evenals
Le) ook nog de beschikking gehad over eigen materiaal
('Sondergut'), met name voor de parabels
(13,14-30.36-43 .44-46.47-50; enz.). Mt heeft dit materiaal
op eigen wijze gecomponeerd in een grote
redevoering (5-7), een reeks wonderverhalen (8-9),
de zendingsrede (10), de parabels (13), aanwijzingen
voor de gemeente (18) en een eschatologische redevoering
(24-25). Een belangrijke rol speelt bij Mt
het Schriftbewijs, wat er op wijst dat hij voor joodse
christenen schrijft (vgl. 5,18v). Het beste karakteriseert
men Mt als een 'kerkboek' met richtlijnen
voor de organisatie van de gemeente (16,17-19) en
voor het leven van de gelovigen (cp. 18).

(III) Literaire vorm. De compositie van Mt is niet
chronologisch (ondanks het veelvuldig gebruik van
'tote'), maar logisch. Deze logica is echter niet westers.
De auteur werkt met trefwoorden-associatie
(18,1-18), anafoor (4,23; 9,35), inclusio (16,5.12),
eindrijm (24,42; 25,13; 24,51; 25,30) en het refrein
(7,28; 11,1; 13,53; 19,1; 26,1). Deze hulpmiddelen
dienden waarschijnlijk tevens voor de memorisatie.
(IV) Bestemming, tijd en plaats van ontstaan. Het
sterk palestijnse koloriet van Mt wijst op een lezerskring
in Palestina of het nabije Syrië. Tevens wijst
dit op een tijd dat de joodse christenheid nog een
sterke groep binnen het christendom was. Anderzijds
wijst de ontwikkeling van de kerkstructuur, de afhankelijkheid
van Mc en de manier waarop de
ondergang van Jeruzalem beschreven wordt (22,7)
op een datering na 70. Als limiet neemt men tegenwoordig
een tijdstip tussen 75 en 90 aan.
Lit. L. Vaganay (DES 5, 940-956) E. von Dobschütz, Matthäus
als Rabbi und Katechet (ZNW 27, 1928, 338-348). G.
D. Kilpatrick, The Origins of the Gospel according to St.
Matthew (Oxford 1946). K. Thieme, Matthäus, der Schriftgelehrte
Evangelist (Judaica 5, 1949, 161-182). E. Massaux,
L'Influence de l'évangile de St-Matthieu sur la littérature
chrétienne avant St.-Irénée (Louvain 1950). P. Nepper-Christensen,
Das Matthäusevangelium ein judenchristliches
Evangelium? (Aarhus 1958). J. Jeremias, Die Muttersprache
des Evangelisten Matthäus (ZNW 50, 1959, 270-274 = Abba,
Göttingen 1966, 255-260). W. Trilling, Das wahre Israel³
(Leipzig 1964). P. Gaechter, Die literarische Kunst im
Matthäusevangelium (Stuttgart 1965). R. Hummel, Die Auseinandersetzung
zwischen Kirche und Judentum im Mt-Evangelium²
(München 1966). G. Strecker, Der Weg der Gerechtigkeit²
(Göttingen 1966). F. Neirynck, La rédaction
matthéenne et la structure du premier Évangile (Donum Natalicium
J. Ccppens 2, Gembloux/Paris 1967, 41-73). R.
Walker, Die Heilsgeschichte im ersten Evangelium (Göttingen
1967). G. Bornkamm/G. Barth/H. J. Held, Ueberlieferung
und Auslegung im Matthäus-Evangelium (Neukirchen 1968).
K. Stendhal, The School of St. Matthew and its Use of the
O.T.² (Uppsala 1968). B. Rigaux, Het getuigenis van Mattheüs
(Brugge/Utrecht 1969). W. Rothfuchs, Erfüllungszitate
des Matthäusevangeliums (Stuttgart 1969). E. E. Abel, Who
Wrote Matthew? (NTS 17, 1970/71, 138-152). A. Fuchs,
Sprachliche Untersuchungen zu Mt und Lk (Rome 1971).
Commentaren: H. Ridderbos (Kampen 1941). M.-J. Lagrange
(Paris 1947). A. Durand (ib. 1948), W. Michaelis
(Zürich 1948). J. Keulers² (Roermond 1950). K. Staab
(Würzburg 1951). F. Grosheide² (Kampen 1954). J. Schmid4
(Regensburg 1960). A. W. Argyle (Londen/New York 1963).
C. E. B. Cranfield (New York 1963). P. Gaechter (Innsbruck
1964). J. Schniewind (Göttingen 1964) H. H. Hobbs (Grand
Rapids 1965). E. Lohmeyer/W. Schmatich4 (Göttingen 1967).
A. Stöger (Stuttgart 1967). W. Grundmann (Berlin 1968).
F. Rienecker (Wuppertal 1969). P. Bonnard² (Neuchâtel/
Paris 1970). W. Trilling (Düsseldorf 1970). [Bouwman]