Statio

Statio, oudchristelijke latijnse term, die in de tweede eeuw betrekking had op een individuele facultatieve vastenpraktijk, gecombineerd met gebed (op woensdag en vrijdag, tot het derde uur in de middag). In later tijd werd s. de aanduiding voor een plechtige eucharistieviering, vooral te Rome, die de bisschop of zijn vertegenwoordiger hield in een van de oude titelkerken van de stad, die wisselden naargelang de tijd van het jaar. Een neerslag daarvan vindt men in het Missale Romanum: de statie-diensten op alle dagen van de veertigdaagse vasten.

De oorsprong van het christelijk gebruik van de term s. is op verschillende manieren verklaard. Sommigen gaan uit van een profane, anderen van een joodse oorsprong, weer anderen van een combinatie van beide elementen. Reeds Tertullianus beschouwde stationem habere als een militaire metafoor ('op wacht staan': De ieiunio 10,6 v). Aan de verklaringen vanuit het jodendom kleven ook bezwaren. Men heeft aan een joods cultus-gebruik gedacht, of meer concreet aan een joodse plaats voor het gebed; maar in het eerste geval zijn de verschillen met de christelijke praktijk te evident, in het tweede dienen zich vooral linguistische problemen aan. Een metaforische verklaring zou ook nog kunnen zijn: 'de plaats die men in het leven inneemt', vandaar 'dienst', vervolgens 'dienst voor God'. Misschien dient men de oorsprong van de christelijke betekenis te zoeken in de bijbelse uitdrukking 'staan voor het aanschijn van de Heer', voor zover deze bidden en vasten aanduidt, waarbij men zich in de open lucht ophoudt.


Lit. S. Teeuwen, Sprachlicher Bedeutungswandel bei Tertullian (Paderborn 1926) 101-120. J. Schümmer, Die altchristliche Fastenpraxis mit besonderer Berücksichtigung der Schriften Tertullians (Münster 1933) 123-131. Chr. Mohrmann, S. (VC 7, 1953, 221-245). A. Hilhorst, Sémitismes et latinismes dans le Pasteur d'Hermas (Nijmegen 1976) 168-179. [Bartelink]


Lijst van Namen