Testamenten der twaalf Patriarchen (Testamenta XII Patriarcharum), titel van een pseudepigrafisch geschrift, dat oorspronkelijk in het hebreeuws of aramees geschreven is, maar slechts in griekse en latijnse vertalingen bewaard is gebleven. Fragmenten in het aramees zijn gevonden in de geniza van Kaïro en onder de handschriften van Qumran.
Het uitgangspunt van het werk is de zegen van Jakob volgens Gn 49, 1-27. Op zijn voorbeeld geven de zonen van Jakob op hun sterfbed hun geestelijke nalatenschap. Deze bestaat uit biografische gegevens met anekdotische uitweidingen en een moralistische prediking: Ruben waarschuwt tegen ontucht, Simeon tegen afgunst, Juda tegen de wijn en de vrouw, Issakar tegen hebzucht, Dan tegen leugen en Gad tegen haat. Er worden, behalve bij Gad, ook toekomstvoorspellingen gegeven in de stijl van de apocalyptiek.
De datering van het geschrift, dat van joodsen huize
is met christelijke interpolaties, is onzeker, maar het
begin van deze literatuur valt vermoedelijk in het
begin van de 2e eeuw vC. De laatste griekse redactie
is van ca. 200 nC.
Lit. Uitgaven: M. de Jonge, Testamenta XII Patriarcharum (Leiden
1964; griekse tekst). Vertalingen: E. Kautzsch, Die Apokryphen und
Pseudepigraphen (Tübingen 1900) 460-506. P. Riessler, Altjüdisches
Schrifttum ausserhalb der Bibel (Darmstadt 1979) 1149-1250. R. H.
Charles, The Apocrypha and Pseudepigrapha of the OT (Oxford
1963) 296-367. - M. de Jonge, The Testaments of the Twelve
Patriarchs. A study of their text, composition and origin (Assen
1953). A. Denis, Introduction aux Pseudépigraphes grecs d' Ancien
Testament (Leiden 1970; met veel literatuurverwijzingen). [Beek]