Tobit

Tobit (Boek). De oude tekst van het boek T. was alleen in een in drie recensies overgeleverde griekse vertaling bekend totdat in 1952 in grot 4 van Qumran een hebreeuwse en twee arameese teksten van het boek gevonden werden. De rabbijnen van Jamnia hebben blijkbaar reden gehad de tekst niet in hun canon op te nemen. De LXX bevatte de tekst als toevoeging op de historische boeken echter wel en de concflies van de oudchristelijke kerk besloten het boek in hun canon op te nemen. De Vg bevat een vrije vertaling van een der drie van elkaar afwijkende griekse recensies; zij is daarvan meer een bewerking dan een woordelijke vertaling.

De structuur van het verhaal is als volgt. Hoofdstuk 1 biedt een overzicht van de levensloop van T. met nadruk op zijn vrome werken. Daarop volgt een parallel verslag van de beproevingen van T. in Ninive (2,1-3,6) en van Sara in Ekbatana (3,7-15) op dezelfde dag. Zij wenden zich tot God in een gebed en dit wordt verhoord door het zenden van de engel Rafaël (3, 16vv). Daarop ontvangt de zoon van T. van zijn vader de opdracht bij bloedverwant Gabaël te Rages een som geld te halen (4,1-21). Men zoekt een gids en dat is voor de als Jood vermomde Rafaël een gelegenheid om zijn dienst aan te bieden (5). Reeds de eerste avond na het vertrek is er het bekende avontuur met de vis die geneesmiddelen bevat zowel tegen de blindheid van vader T. als voor de toekomstige bruid. Dan volgt de ontmoeting met Sara, die reeds zeven mannen in de bruidsnacht door toedoen van de demon Asmodeüs had verloren. Tobias huwt haar toch en terwijl Sara's vader al een graf voor hem heeft edolven, weet hij met het geneesmiddel van de vis de demon te overwinnen (7,1-10,13). Het doel van de reis is bereikt, maar het lange wegblijven van de zoon wekt onrust bij zijn ouders. In 11 en 12 volgen de terugkeer en de genezing van T. en de openbaring van Rafaël, die bekend maakt wie hij is. T. geeft uiting aan zijn dankbaarheid in een loflied op Gods voorzienigheid en op de toekomst van Jeruzalem (13). Het slot is de vermaning van de stervende T. aan zijn zoon en een voorspelling van de ondergang van Ninive en van het lot van de joden.

Het boek biedt geen controleerbaar geschiedverhaal en is ook niet daarom geschreven. Het is een moralistisch geschrift, waarin de vertelling onderbroken wordt door vermaningen (4,3-21; 12, 6-15; 14, 8-14 die de werken van barmhartigheid aanprijzen. Uit alles blijkt een optimistische kijk van de schrijver op het leven (3, 17; 4, 21; 11, 17; 12, 12-14). Nadruk wordt gele d op het goede werk van het begraven der doden 1, 17-19; 2, 8; 4, 17; 12, 12). Het sprookjesmotief van de dankbare dode is gerealiseerd in de hulp die Rafaël biedt.

Het boek T. is vermoedelijk ca. 200 vC ontstaan in de hellenistische diaspora. Verschillende elementen wijzen daarop, zoals de weigering om de spijzen van niet-joden te eten (1, 10v) en het bidden voor een venster in de richting van Jeruzalem (3, 11), terwijl op de strijd tegen Antiochus IV Epiphanes (koning van Syrië van 175 tot 164 vC) niet gezinspeeld wordt.


Commentaren: H.St. Thackeray (London 1928). R. Galdos (Paris 1930. F. Stummer (Würzburg 1950). F. Zimmermann (New York 1958. N. Poulssen (Roermond 1968).

Lit. J. Müller, Beiträge zur Erklärung und Kritik des Buches T. (BZAW 13, Giessen 1908). A. Schulte, Beiträge zur Erklärung und Textkritik des Buches T. (BSt 19,2, Freiburg i.B. 1914). - G.Golwitzer, Die Geschichte von jungen Tobias (München 1948). M. Beek, het boek T. en de 'met miswah' (Pro Regno et Sanctuario, Nijkerk 1950, 19-30). [Beek]


Afkortingen Lijst van Namen