Onder ethiopisch in ruimere zin verstaat men alle
semitische talen van Ethiopië, onder e. in engere
zin het ge'ez, een semitische taal die oudtijds gesproken
werd in het noordoosten van Ethiopië en
veel op het zuidarabisch lijkt. Het e.e schrift, dat uit
een zuidarabisch cursief schrift voortkomt, gaat
van links naar rechts; de klinkers worden aangeduid
door lichte veranderingen aan het teken van de
voorafgaande medeklinker; elk woord wordt gevolgd
door twee punten.

Vertaling ad litteram:
(eerste regel) In-naam [van] Vader en-Zoon en-Geest heilige
één God. Geschrift
(tweede regel) [van] geschiedenis-van-hen van Vaders en-uitspraken-van-hen
welke-ondervroegen-zij inonder-hen
in-welke-in-het
(derde regel) nut en-profijt voor-wie-las-het en-voor-wiehoorde-het
en-is-genoemd paradijs. Heer
(vierde regel) aarde schenke-ons zegen-hun amen.
De talen die tegenwoordig in Abessynië worden gesproken, behoren tot:
a. de semitische groep: in het noorden tigre en
tigrina, die het nauwst verwant zijn met het ge'ez;
in het centrum amharisch, de officiële rijkstaal; arabisch
is, vooral in het noorden, de taal van enkele
kleinere gemeenschappen;
b. de koesjitische of hamitische groep;
c. de groep van de nilotische talen, in het zuidwesten.
Het ge'ez, sedert ca. 1000 jaar niet meer gesproken, is ons bekend door een uitgebreide literatuur; in Europa bezitten o.a. de bibliotheken van Parijs, Londen en Rome samen ca. 1500 e.e handschriften, die echter niet ouder zijn dan de 14e eeuw. Deze letterkunde, bijna uitsluitend beoefend door monniken en geestelijken, is, zoals de meeste literaturen van het Nabije Oosten, van religieuze aard en bestaat voornamelijk uit vertalingen. Wie echter een volledig beeld wil hebben van de ideeënwereld van het grieks-byzantijnse Oosten mag de e.e geschriften niet veronachtzamen. Sommige werken bleven, geheel of gedeeltelijk, alleen in het e. bewaard; daarnaast is de e.e vertaling dikwijls belangrijk voor het vaststellen van de juiste tekst van het origineel.
In de eerste periode van de e.e literatuur (van de 4e
tot het einde van de 7e eeuw) werd er vertaald uit het
grieks; voor vertalingen uit het koptisch bestaan
geen bewijzen. Bewaard bleven o.a. het boek Henoch,
de Hemelvaart van Jesaja, het boek van de
Jubileeën, de Pachomiusregel, het geschrift Qerlos
(= Cyrillus van Alexandrië) en een verzameling
tractaten van verschillende kerkvaders. Nadat Ethiopië,
door de veroveringen van de Islam, van de rest
van het christelijke oosten afgesloten was, volgde er
een periode van ongeveer zes eeuwen waaruit geen
literaire geschriften bekend zijn. Omstreeks het einde
van de 13e eeuw begon, na de opkomst van de Salomonide
koningen, de tweede bloeiperiode, waarin
uit het christelijk arabisch vertaald werd. Zeer veel
is bewaard gebleven, o.a.: talrijke martelaarsakten,
(apokriefe) Handelingen en een zeer groot aantal
heiligenlevens, onmisbaar voor de geschiedschrijving
van Ethiopië. In de Wonderen van Maria hebben
alle europese verzamelingen van Marialegenden gedeeltelijk
opname gevonden. De profane literatuur
bestaat voornamelijk uit talrijke hofkronieken, geschreven
ter verheerlijking van de koningen. Het
nationale epos is Kebra Nagast (de glorie van de
koningen), verhaal van het bezoek van de koningin
van Saba aan Salomo en van de daarmee verbonden
legendencyclus. Met het hele Oosten, alsmede
met het middeleeuwse Europa, heeft Ethiopië de
Alexander-roman en de roman van Barlaam en
Josaphat gemeen. Van groot belang zijn verder de
vele, nog nauwelijks bestudeerde, liturgische teksten
alsmede de talrijke homilieën en religieuze tractaten.
Omstreeks het einde van de 18e eeuw is de e.e in het
ge'ez geschreven literatuur uitgestorven. De oude
taal wordt nog slechts gebruikt in de liturgie.
Lit. (I) Taal: A. Dillmann, Lexicon linguae aethiopicae 1-3
(Leipzig 1862-1865). A. Dillmann/C. Bezold, Grammatik der
äthiopischen Sprache (Leipzig 1899). M. Cohen, Études
d'éthiopien méridional (Paris 1931). Id., Nouvelles études
d'éthiopien méridional (Màcon 1939). E. Cerulli, Studi etiopici
1-4 (Rome 1936-1951). W. Leslau, Gafat Documents
(1945). Id., Bibliography of the Semitic Languages of Ethiopia
(New York 1946). E. Ullendorff, The Semitic Languages
of Ethiopia (London 1955).
(II) Letterkunde: C. Conti Rossini, Note per la storia letteraria
abissina (Rendiconti Accad. Lincei 8, 1899). E. Littmann,
Geschichte der äthiopischen Literatur (in C. Brockelmann,
Geschichte der christlichen Literaturen des Orients², Leipzig
1909, 187-281). I. Guidi, Storia della letteratura etiopica
(Rome 1932). E. Cerulli, La letteratura etiopica (in Le letterature
del mondo³ Rome 1968).
[Arras]