Gihon

Gihon (hebr. gīhōn, vermoedelijk afgeleid van de stam giāh = opwellen).

(1) G., een van de paradijsrivieren (Gn 2,13).

(2) G., bron nabij Jeruzalem, te vereenzelvigen met 'ēn 'umm ed-darag (trappenbron), bij de christenen als 'ēn sitt marjam (Mariabron) bekend, gelegen in het Kedrondal aan de oostelijke voet van de Ofel, de oude stadsheuvel. Bij de G. werd Salomo tot koning gezalfd (1Kg 1,33.38.45). In de beschrijving van de stroom die uit de tempel opwelt en Palestina in een paradijs verandert (Ez 47,1-12; Joël 4,18; Zach 14, 8) zijn de bron G. en de paradijsrivier G. verenigd.


Lit. L. H. Vincent (DBS 4. 941-949). L. H. Vincent/A. M. Stève, Jérusalem de l'A.T. 1 (Paris 1954) 260-284. [Nelis]


Afkortingen  Kaart