
(1) Hebreeuwse naam (gōšen) die door de
Jahwist gegeven wordt aan de grensstreek van
Egypte waar Jozef zijn vader Israel en zijn broeders
vestigde (Gn 45,10; 46,28-29.34; 47,1.4.6 enz.). Hij
wordt in de LXX door Γεσεμ, in 45,10 door Γεσεμ Ἀραβίας (F. 4 Αραβίᾳ 46,34) en in 46,28v door
Ἡρώων πόλις weergegeven; in Vg door Gessen. Een
vroegere localisatie in de gouw van Pr-Spdw of
Pi-Soped (Saft el-Hennah), op grond van
een plaatsnaam Qsm uit geografische tempellijsten
van Edfu en Dendara, is verworpen geworden door
Gardiner, die deze naam šsm leest, doch opnieuw
verdedigd door P. Montet. Gardiner hecht meer
waarde aan de vermelding Heroönpolis en aan de
naam Pithom uit de koptisch-bohairische versie.
Beide plaatsen schijnen in de Wadi Tumilat te liggen,
die tot de 8e beneden-egyptische gouw behoort en
die betrekkelijk goed beantwoordt aan de beschrijving
die de Bijbel van G. geeft.
(2) Kanaänitische stad (Vg Gosen), in Joz 15,51 bij
Juda gerekend, waarvan het omliggend gebied het
'land van G.' wordt genoemd (Joz 10,41; 11,16).
Noth (Josua 69) zoekt dit G. in tell bet mirsim. Het
bestaan van deze naam, naast Gosen (1), dient wellicht
in verband gebracht te worden met de hypothese
van Mayani, volgens wie G. van een indo-europees
namen commune zou afgeleid zijn dat op veeteelt
en herders wijst.
Lit. A. H. Gardiner, The Supposed Egyptian Equivalent of
the Name of Goshen (JEA 5, 1918, 218-223). P. Montet, Géographie
de l'Égypte ancienne. I. To-Mehou, la Basse Égypte
(Paris 1957) 208. Z. Mayani, Les Hyksos et 1e monde de la
Bible (Paris 1956) 239-242. J. Vergote, Joseph en Égypte,
(Louvain 1959) 183-186.
[Vergote]