
Pithom (LXX Πιθωμ, voor hebreeuws Pītōm, transcriptie
van egyptisch pr-itm 'huis van Atum'; Herodotus
Πάτουμος), stad in Egypte, die volgens Ex 1,1 1
samen met (Per-)Ramses (stad in de Delta) door de Israëlieten als
opslagplaats gebouwd werd. P. lag in de Wadi Tumilat,
waar Gosen gelocaliseerd wordt.
In het oostelijk deel van deze depressie,
te Tell el-Maschuta, werd namelijk Tjeku
opgegraven, waarmee het samen vermeld wordt in
de Papyrus Anastasi VI (ANET 259) en in de ter
plaatse ontdekte z.g. Pithom-stèle, uit de tijd van
Ptolemaeus II Philadelphus. Wegens het bestaan van
een Atumtempel te Tjeku wordt P. sinds E. Naville
met deze stad vereenzelvigd. Het is echter mogelijk
dat in eerstgenoemde tekst Tjeku als naam dient
van de gouw, zodat het om twee verschillende steden
zou gaan in de P.-stèle. Daarom localiseert
Gardiner P. bijna 14 km meer ten westen van Tell
el-Maschuta, nl. te Tell er-Retabeh, waar eveneens
sporen van een Atumtempel te voorschijn kwamen.
Een probleem is voorts de identificatie van Heroönpolis
met een van beide steden.
Lit. É. Naville, The Store-city of Pithom (London 1885,
41903). Simons 571. Gardiner 2, 132*v; Id. (JEA 5, 1918, 267269;
10, 1924, 95v). P. Montet, Géographie de l'Égypte ancienne
1 (Paris 1957) 213-215. Uitgave van de P.-stèle: K.
Sethe, Urkunden des ägyptischen Altertums 2, 81-105; tekst
met vertaling: H. Brugsch, ZAeS 32, 1894, 84-87. [Vergote]