Himjar

kaartHimjar, zuidarabische stam (bij de klassieke geografen Homeritae genoemd) die oorspronkelijk gevestigd was in Dahas, het tegenwoordige Jāfa', een mirre producerend gebied ten noordoosten van Aden. De H.ieten waren aanvankelijk onderworpen aan het rijk Qatabān, maar wisten zich tegen het midden van de 2e eeuw vC onafhankelijk te maken en hun gebied uit te breiden. Hun hoofdstad Zafār kwam even noordwestelijk van hun oorspronkelijk gebied te liggen en werd uitstekend beschermd door de op een heuvel liggende burcht Raydān (foto rechts).

Hun optreden had grote verschuivingen in de machtsverhoudingen van Zuid-Arabië ten gevolge. Doordat Qatabān geheel in beslag genomen werd door de strijd tegen de H.ieten, kregen de Sabeeën gelegenheid, zich meester te maken van het rijk der Mineeën en het voorgoed aan zich te onderwerpen. Tevens wisten ze door te stoten tot de zuidwestkust van Arabië, die tot dusverre aan Qatabān behoord had en zich meester te maken van de havenstad Ocilia (genoemd bij Plinius 12,89; in 6,151 spreekt hij van Ocila). Kreeg Saba aanvankelijk, doordat de H.ieten Qatabaan aanvielen, gelegenheid tot expansie, weldra werd al zijn kracht opgeëist tot afweer van de romeinse expeditie onder Aelius Gallus die in 24 vC Zuid-Arabië was binnengevallen. De H.ieten maakten zich nu ook meester van de zuidwestkust van Arabië en van delen van Saba. Weldra werd zelfs heel Saba veroverd en matigden de vorsten van H. de titel aan van koningen van Saba en Dhu Raydaan (de bovengenoemde burcht).

Spoedig verdreven de Sabeeën de H.ieten, en hun koning nam nu ook de naam koning van Saba en Dhu Raydān aan, als uitdrukking van zijn pretentie, heel H. aan zich te willen onderwerpen. Er ontstond nu een langdurige strijd om de hegemonie, waardoor in de zuidarabische landen de verwarring groot werd.

Bovendien werd het land herhaaldelijk geteisterd door epidemieën, terwijl er aanvallen te verduren waren van de Abessyniërs in het westen en van bedoeïenenstammen in het noorden. Soms waren de H.ieten aan de winnende hand, zoals tijdens hun bezetting van Saba ca. 110 nC en ca. 200 nC, maar soms ook waren de Sabeeën de overheersenden, met name als ze niet verteerd werden door innerlijke twisten. Toen ze ca. 180 nC hun eenheid hervonden hadden onder Sja'r 'Autar, wisten ze H. tot hun vasal te maken en Hadramaut te onderwerpen, waardoor ze praktisch heel Zuid-Arabië beheersten.

Toch was H. de definitieve zege beschoren. Door een bondgenootschap met Hadramaut wist het ca. 270 nC Saba voor goed te onderwerpen. Weldra werd nu de strijd met Hadramaut aangebonden, dat ook overwonnen werd, waarop de h.itische koning Sjammar Juharrisj III (ca. 300) als eerste de titel aannam van koning van Saba, Dhu Raydān, Hadramaut en Jammat, waarbij de laatste twee namen betrekking hebben op Noord- en Zuid-Hadramaut. Sjammar zette zijn krijgstochten nog voort en drong zelfs tot Noordoost-Arabië door, zodat hij Perzië bedreigde. Hoewel Hadramaut tussen 330 en 340 zijn zelfstandigheid nog korte tijd wist te heroveren, zette de h.itische heerschappij zich toch onverminderd voort.

Koning Ta'ran Juhan'im bekeerde zich in 360 tot het christendom en bouwde kerken in Zafaar en Aden. De vroegste tot nog toe gevonden monotheïstische inscriptie dateert van 378 nC. Langzamerhand kwamen ook de bedoeïenenstammen onder de heerschappij van H. te staan. Abu-Karib 'As'ad (ca. 380-430) noemde zich koning van Saba, Dhu Raydaan, Hadramaut, Jammat en de bedoeïenen van Taud (Centraal-Arabië) en van Tihāma (laagland langs de Rode Zee). Hij ging tot het jodendom over, waarvan waarschijnlijk ook zijn opvolgers aanhangers waren. Een van hen, Jūsuf As'ar Dhu Nuwās ontketende in 524 een grote christenvervolging, die een inval van de Abessyniërs ten gevolge had om de christenen te helpen. Dhu Nuwās werd gedood en de negus stelde een nieuwe h.itische koning, Sumyafa' Ashwa' aan. Tegen hem kwamen gedeserteerde Abessyniërs en brede lagen van de zuidarabische bevolking in opstand. Ze stelden Abraha als koning aan, die zich ondanks twee abessijnse invallen op zijn troon wist te handhaven. Abraha ontving, blijkens van hem afkomstige inscripties, in 547 zelfs gezanten van Byzantium, Perzië, Abessynië, Hira en Ghassan. Volgens islamitische traditie ondernam hij in zijn latere jaren een expeditie tegen Mekka met het doel, San'a centrum van de pelgrimstocht te maken in plaats van Mekka. In 575 vielen de Perzen onder Wahriz Zuid-Arabië binnen en maakten een einde aan het rijk der H.ieten.

De era, waarnaar de H.ieten hun inscripties dateerden, ving volgens sommigen (Glaser, Hommel, Lundin, Von Wissmann) in 115 vC aan, volgens anderen (J. Ryckmans) 109 vC. De oudste tot nog toe gevonden inscriptie volgens deze era dateert van 201 als men de aanvang op 1 15 vC stelt, anders van 207.


Lit. J. Ryckmans, La persécution des Chrétiens himyarites au sixième siècle (1956). F. L. Beeston, Abraha (Encycl. of Islam 1, 1960, 102v). J. Ryckmans, Chronologie des rois de Saba et Dhu Raydan (Antiquus 3, 1964). Id., La chronologie des reis de Saba en Dhu Raydan (1964). A. G. Loundine/ J. Ryckmans, Nouvelles données sur la chronologie des rois de Saba et Dhu Raydan (Muséon 1964, 407-427). H. von Wissmann, Himyar in Ancient History (ib. 429-499). Id., Zur Geschichte und Landeskunde von Alt-Süd-Arabien (1964). Id., Le christianisme en Arabie du Sud préislamique (Ac. Naz. Linc. Rom. 1964, 413-453). [Attema]


Kaart