
Hadramaut (Chadramaut), evenals Saba,
Ma'in en
Qataban een van de zuidarabische rijken.
Archaeologische vondsten
wijzen erop dat het gebied van H. reeds bewoond
geweest moet zijn sinds ca. 1500 vC, maar dateerbare
gegevens bezitten we pas uit veel later tijd. De
oudste inscripties die gevonden zijn, zijn te dateren
tussen de 7e en de 5e eeuw. Zoveel is duidelijk dat
H. lange tijd in de schaduw gesteld werd door
Saba,
dat een overheersende positie innam in Zuid-Arabië.
Pas toen de hegemonie van Saba tegen het begin van
de 4e eeuw vC begon te wijken, kreeg ook H. mogelijkheid
tot ontplooiing. Zijn grootste expansie kende
het tussen 140 en 190 nC, toen het geheel Qatabän
aan zich onderworpen had, met Saba in vrede
leefde en met de Romeinen goede relaties onderhield.
Dit laatste blijkt vooral hieruit dat de Romeinen
de havenstad Qana als tussenstation gebruikten
voor de vaart van Egypte naar India. Een tijd
lang verduisterde echter de glorie van H. toen koning
Sja'r Autar van Saba samen met Himyar
een hevige aanval ondernam op H. en het tot zijn
vazal maakte. Weldra echter wist H. zich onder zijn
koning Il'azz (190-230) te herstellen en ging een
nieuwe bloeiperiode tegemoet. Door zijn goede relaties
met Rome stroomden vele luxe artikelen het
land binnen. De Periplus Maris Erythraei (ca.
210 nC?) verhaalt van de bewerkte zilveren voorwerpen,
het gouden vaatwerk, de beelden en de fijne
klederen die in Sjabwa, de hoofdstad, voor koning
Eleazos (= Il'azz) werden ingevoerd. De koning
ontving gasten uit India, Palmyra en de arameese
streken.
Lange tijd bestond er een bondgenootschap met Himyar, dat daardoor gelegenheid kreeg Saba omstreeks 270 te veroveren. Korte tijd daarna keerde Himyar zich ook tegen H., dat tussen 300 en 340 definitief overwonnen werd en een deel van het himyaritische rijk bleef tot dit in 575 door de Perzen werd ingenomen.
H. was van ouds het land van de wierook. Deze werd in het ver oostelijk gelegen Dhofar verbouwd, het land der Sachalitae van de klassieke geografen. Een karavaanweg voor het vervoer van de wierook liep van Dhofar via de Wadi H. naar de hoofdstad Sjabwa. Daar kwam ook een karavaanweg van de havenstad Qana aan. Vandaar liep de weg in noordelijke richting om zich bij Nadjraan te splitsen in een weg die voor het vervoer naar Egypte en de Middellandse-Zeegebieden zorgde en een die naar Mesopotamië liep. In de tijd van genoemde Periplus werd de wierook in de zomer en de herfst geoogst en opgeslagen in de havenplaats van Dhofar Moska (misschien het tegenwoordige Khor Rori). In de winter, wanneer de winden gunstig waren, werd zij naar Qana gebracht op vlotten en schepen. Vandaar werd de wierook per boot oostwaarts naar de perzische Golf vervoerd en westwaarts naar Egypte. Alleen bij gevaar van zeepiraten werd de landweg gebruikt.
De religie van H. was evenals elders in Zuid-Arabië astraal. De maangod droeg hier de aan Babylonië ontleende naam Sin. Een aan Sin gewijd heiligdom werd in 1937-1938 door Caton Thompson opgegraven bij Madhaab, tegenover Hureida gelegen, oostelijk van Sjabwa. De tempel was vierkant en lag evenals babylonische tempels met de voorzijde naar het noordoosten. De tempel die tussen de 6e en 4e eeuw vC gesticht werd, was twee maal herbouwd, waarbij opviel dat de soliditeit van de bouw bij elke volgende fase minder werd. Toen de tempel zelf in de tijd nC opgegeven werd, werden vijf privéheiligdommen daarnaast gebouwd om de cultus voort te zetten. Men vond daarin beenderen van dieren, hetgeen op bloedige offers wees, een beeld en diverse altaren, o.a. een voor het branden van wierook.
De naam H. komt van een stam drm, die brandende
hitte aanduidt, en is daarvan gevormd door toevoeging
van het lidwoord ha- en de femininum-uitgang
-ot. In het hebreeuws werd de naam Chasarmawet
gespeld en kreeg zo de betekenis van 'gebied of
oase van de dood' of van 'oase van (de ook in Ugarit
voorkomende godheid) Mot' (De LXX vertaalt:
Asarmot).
Lit. G. Caton Thompson, Tombs and Moon Temple of Hureida
(Oxford 1944). W. F. Albright, The Himyaritic Temple
at Khor Rori (Orientalia N.S. 22, 1953, 284-287). G. W. van
Beek, Ancient Frankincense Producing Areas (in R. Boven/
F. P. Albright, Archaeological Discoveries in South Arabia
(Baltimore 1958, 139-142). H. von Wissmann, Zur Geschichte
und Landeskunde von Alt-Südarabien (Wien 1964). Id., Zur
Archäologie und Antiken Geographie von Südarabien (Istanbul
1968).
[Attema]