Palaisch

Palaisch (hethitisch palaumnili, 'de taal van de inwoner(s) van Pala'), naast hethitisch en luwisch één der belangrijkste leden van de anatolische tak der indo-europese taalfamilie. Het indo-europese karakter van het p. werd het eerst onderkend door Forrer (1922); hoogtepunten van het latere onderzoek waren het werk van Otten (in 1953 culminerend in Luvische und Palaische Texte, KUB 35) en de daarop voortbouwende studies van A. Kammenhuber van 1955 en 1959. De laatste samenvattende behandelingen - met gebruikmaking van nieuwe p.e teksten - zijn afkomstig van O. Carruba (1970 en 1972).

Het tekstmateriaal bestaat uit één mythe en verder hoofdzakelijk uit p.e interpolaties (ritualen en offerspreuken) in (oud-)hethitische religieuze teksten met betrekking tot de godheid Ziparwa (p. Zaparwa). Deze godheid gaat terug op het hattische deel van het anatolische pantheon, maar werd nadien zowel door de inwoners van Pala als door de Hethieten vereerd. Het p. is bij de huidige stand van de indogermanistiek de vroegst uitgestorven indo-europese taal waarvan nog tekstmateriaal bewaard gebleven is. De kennis van de woordenschat (minder dan 400 woorden zijn thans bekend) laat nog veel te wensen over, maar op basis van de verbuiging der substantiva, de vormen van het aanwijzend, betrekkelijk en enclitisch pronomen, en op grond van de vervoeging van het werkwoord staat het indo-europese karakter van de taal en de nauwe verwantschap met het hethitisch genoegzaam vast.


Lit: A. Kammenhuber (RHA 17, fase. 64, 1959, 1-92: lexicon; Bulletin de la Société de Linguistique 54, 1959, 18-45: grammatica). O. Carruba, Das Palaische. Texte, Grammatik, Lexikon (StBoT 10, 1970). Id., Beiträge zum P.en (Uitgaven van het Nederlands Historisch-Archaeologisch Instituut te Istanbul 31, Leiden/Istanbul 1972). [Houwink ten Cate]


Kaart