
Šuruppak, oude naam van het moderne Fara in het
zuidoosten van Irak, gelegen ca. 80 km ten zuidzuidoosten
van Nippur. De overblijfselen
van S. zijn in 1902-1903 door de Deutsche
Orient-Gesellschaft onder leiding van R. Koldewey
en in 1931 door E. F. Schmidt van de Universiteit
van Pennsylvania onderzocht. De belangrijkste
vondst wordt gevormd door de sumerische z.g.
Fara-teksten, die thans vrij algemeen in het begin
van de periode Early Dynastie III worden gedateerd
(ca. 2600 vC). De traditie verbindt Š. met het
verhaal van de zondvloed. Het bestaan van Š. in
de Djemdet-Nasr-periode en in Early Dynastie I
(begin 3e millennium) is aangetoond, voortbestaan
tot zeker in de Ur III-periode
(eind 3e millennium)
staat vast, ondanks afgenomen betekenis; er is een
inscriptie van een locale vorst uit de Akkad- of
vroege Ur III-tijd. Opmerkelijk is de archeologische
interpretatie van de archaïsche Fara-teksten,
die duidt op gedeeltelijke herkomst uit de particuliere
sfeer.
Lit. A. Deimel, Die Inschriften vom Fara 1-3 (WVDOG 40,
42, 43, Leipzig 1922-1924). - E. Heinrich/W. Andrae, Fara.
Ergebnisse der Ausgrabungen 1902/03 (Berlin 1931). E. F.
Schmidt, Excavations at Fara (Museum Journal 22, 1931,
193-245). H. Martin, The Tablets of Shuruppak (Compte
rendu de la 20e Rencontre Assyriologique Internationale, Istanbul
1975, 173-182). D. Edzard, Fàra und Abu Salabih.
Die 'Wirtschaftstexte' (ZA 66, 1976, 156-195). [van Driel]