Pseudo-Clementinae, aanduiding van een roman over de apostel Petrus, waarin sprake is van zijn reizen, zijn strijd met Simon Magus en de bekering van Clemens van Rome. Het werk is in twee versies bewaard: Homiliae en Recognitiones (Ἀναγνωρισμοί).
In de 20 Homilieën vindt men preken die Petrus op zijn tochten zou hebben gehouden. Ze worden voorafgegaan door 2 aan Jacobus de Jongere gerichte brieven op naam van Petrus en Clemens. De inhoud heeft een sterk judaïstisch-gnostisch karakter met een duidelijk accent op de kerk van Jeruzalem. Christus is de goddelijke aeon, die zich vroeger reeds in Adam en Mozes heeft geopenbaard.
Het christendom wordt gezien als een van vervormingen gereinigd jodendom. De 10 boeken Recognitiones vormen een roman met het oude herkenningsmotief: de familie van Clemens, door omstandigheden verspreid, komt door toedoen van Petrus weer samen. Slechts de latijnse vertaling van Rufinus is volledig bewaard gebleven.
Het ontstaan van de P. stelt ons voor zeer ingewikkelde
literair-kritische problemen. Het schijnt
dat beide werken onafhankelijk van elkaar op een
en hetzelfde basisgeschrift teruggaan, dat waarschijnlijk
in Syrië of ten oosten van de Jordaan vóór
230 is ontstaan en waarvan de schrijver uit heretische
joods-christelijke kringen zou stammen. Over
de onderlinge verhouding en de datering bestaat
geen eenstemmigheid (waarschijnlijk 4e eeuw, vóór
381). Gedeelten van beide werken zijn in syrische
vertaling bewaard. Er bestaan verder 2 griekse Epitomae
van de Homilieën, een arabische van de
Recognitiones, en fragmenten van een ethiopische
vertaling.
Lit. Uitgaven: B. Rehm, Die Pseudoklementinen 1. Homilien
(GCS 42; Berlin 1953). B. Rehm/F. Paschke, Die Pseudoklementinen
2. Rekognitionen in Rufins Übersetzung (GCS
51; ib. 1965). A. Siouville, Les homélies clémentines (Paris
1934; franse vertaling en commentaar). - O. Cullmann, Le
problème littéraire et historique
du roman pseudo-clémentin
(Paris 1930). G. Strecker, Das Judenchristentum in den Ps.Klementinen
(TU 70, Berlin 1958). H. Schoeps, Der Ursprung
des Bösen und das Problem der Theodizee im pseudoklementinischen
Roman (RScR 60, 1972, 129-141). [Bartelink]