Gnosis

Gnosis of gnosticisme, verzamelnaam van een reeks scholen, stromingen en richtingen, vooral uit de 2e en 3e eeuw nC, wier gecompliceerde stelsels een aantal hoofdpunten met elkaar gemeen hebben. Kenmerkend is het dualisme tussen God en wereld, goed en kwaad, geest en materie. Gewoonlijk is er sprake van een reeks van emanaties, in paren geordend, die deze afstand enigszins overbruggen. Volgens de gnostici is de ware, volmaakte God onbekend. De onvolmaakte wereld, waarin wij leven, is geschapen door een onvolmaakte God. Het ware wezen van de mens behoort aan en bij de volmaakte God, maar bevindt zich op rampspoedige wijze in de onvolmaakte wereld en is aan de machten van deze wereld onderworpen. De mens moet trachten door g. (γνῶσις, 'kennis') of kennis van God zich te bevrijden van de tirannie van het kwaad en naar de wereld van de ware God terug te keren en het vergeten, een gevolg van de hartstochten, te bestrijden. Deze kennis kan slechts de mens verlossen. Ze vormt de sleutel tot de kernvragen, wat we zijn, wat we geworden zijn, waarnaar we gaan, waarvan we bevrijd zijn. Een van de belangrijkste vragen is die naar de oorsprong van het kwaad en de overwinning daarvan. In de verschillende stelsels vinden wij deze grondgedachten weergegeven in ingewikkelde theorieën over de wereldschepper en het ontstaan van de mens. De g. is syncretistisch van aard en heeft gebruik gemaakt van babylonische, iraanse, egyptische, laat-joodse en ook christelijke elementen.

Over de herkomst van de g. bestaat geen eenstemmigheid. Volgens sommigen is het een syncretistische omvorming van het christendom (weinig waarschijnlijk), volgens anderen bestond de g. reeds vóór het christendom en zou zij onder groeperingen van het latere jodendom of in het algemeen in de hellenistische wereld ontstaan zijn. De g. was een uiterst belangrijke godsdienstige beweging die antwoord wilde geven op essentiële vragen van de mens. Ze vond grote aanhang en had grote invloed in het hele romeinse imperium.

Uit de geschriften van Irenaeus, Hippolytus en Epiphanius kunnen wij afleiden dat de g. vanaf het begin van de 2e eeuw in contact kwam met het christendom. De Apologeten verbinden de namen van enkele ongrijpbare figuren met de oorsprong van de beweging: Simon Magus (Hand 8), Menander, Saturninus, Carpocrates en Cerinthus. In de 2e eeuw waren Basilides (ca. 125 in Alexandrië) en vooral Valentinus belangrijke gnostische leraren. Er vormde zich in deze tijd een grote reeks van richtingen, zoals wij bv. uit de opsomming in Hippolytus' Refutatio weten. Naderhand vindt men gnostische leringen bv. ook in het manicheïsme. Grote concentraties gnostici vond men in Egypte, Syrië en Rome.

In de 2e en 3e eeuw is een omvangrijke gnostische literatuur geproduceerd, die slechts fragmentarisch bewaard is gebleven. Resten vindt men allereerst in de tot weerlegging geschreven werken van kerkelijke schrijvers, in enkele NTische apocriefen. De Pistis-sophia en de Boeken van Jeu waren de belangrijkste geschriften waarover wij beschikten, tot in 1945 of 1946 bij Nag Hammàdi in Egypte (kaart afb. 40; B-C; 3-4) een uitermate belangrijke vondst werd gedaan: 13 papyruscodices in een kruik, waarschijnlijk de bibliotheek van een gnostische gemeente. Codex 1 bevindt zich in het Jung-instituut in Zürich (codex-Jung), de 12 andere (samen 1130 blz.) in het Koptisch Museum in Kaïro. In totaal bevatten ze ca. 50 geschriften, die nog slechts zeer ten dele gepubliceerd zijn. De dateringen schommelen tussen de 3e en 6e eeuw.


Lit. Uitgaven: A. E. Brooke, The Fragments of Heracleon (Cambridge 1891). C. Schmidt/W. Till, Koptisch-gnostische Schriften² (Berlin 1954). W. Völker, Quellen zur Geschichte der christlichen G. (Tübingen 1932). R. P. Casey, The Excerpta ex Theodoto of Clement of Alexandria (London 1935). F. M. Sagnard, Clément d'Alexandrie: Extraits de Théodote (Paris 1948). G. Quispel, Ptolémée, Lettre à Flora (SC 24, ib. 1949, ²1966). F. L. Cross, The Jung Codex (London 1955). P. Labib, Coptic Gnostic Papyri in the Coptic Museum at Old Cairo 1 (Kaïro 1956). M. Malinine/H. Ch. Puech/G. Quispel, Evangelium veritatis (Zürich 1956); dezelfden met W. Till, Evangelium veritatis, Supplementum (ib. 1961). A. Böhlig/P. Labib, Die koptisch-gnostische Schrift ohne Titel aus God. II von Nag Hammadi (Berlin 1962). M. Malininel H. Ch. Puech/G. Quispel/W. Till, Codex Jung, De resurrectione, Epistula ad Rheginum (Zürich 1963). W. Till, Das Evangelium nach Philippos (Berlin 1963). A. Böhlig/P. Labib, Koptisch-gnostische Apokalypsen aus God. V von Nag Hammadi (Wiss. Z. Univ. Halle-Wittenberg, Sonderband, 1963).

W. Bousset, Hauptprobleme der G. (Göttingen 1907). H. Leisegang, Die G. (Leipzig 1934). F. M. Sagnard, La gnose valentinienne et le témoignage de St.-Irénée (Paris 1947). G. Quispel, G. als Weltreligion (Zürich 1951). H. Jonas, G. und spätantiker Geist 1-2 (Göttingen 1934-1054). W. Till, Die gnostischen Schriften des koptischen Papyrus Berolinensis 8502 (Berlin 1955). H. J. Schoeps, Urgemeinde - Judenchristentum - Gnosis (Tübingen 1956). J. Doresse, Les livres secrets des gnostiques d'Egypte (Paris 1958). R. McL. Wilson, The Gnostic Problem (London 1958). R. M. Grant, Gnosticism and Early Christianity (New York/London 1959). H. M. Schenke, Die Herkunft des sogenannten Evangelium veritatis (Göttingen 1959). J. Zandee, The Terminology of Plotinus and of Some Gnostic Writings, Mainly the Fourth Treatise of the Jung Codex (Istanbul 1961). M. Krause/P. Labib, Die drei Versionen des Apokryphon des Johannes im koptischen Museum zu Alt-Kairo (Wiesbaden 1962). W. Schmithals, N T und G. (Erträge der Forschung 208, Darmstadt 1984).[Bartelink]


Afkortingen Lijst van Namen