Stichometrie, moderne term voor het in de oudheid, het eerst bij de Grieken, later ook bij de Romeinen bestaande gebruik om de omvang van een tekst uit te drukken in στίχοι (en niet, zoals tegenwoordig in bladzijden). Bij poëtische teksten gold als στίχος uiteraard de versregel, bij prozateksten werd het equivalent van een hexameterregel (ca. 16 lettergrepen of 36 lettertekens) als στίχος beschouwd.
Dit wil niet zeggen dat prozawerken in zulke στίχοι
geschreven werden; de στίχος was slechts een rekeneenheid,
die o.m. diende om het vinden van een
bepaalde passage te vergemakkelijken, om snel de
volledigheid van een copie te kunnen controleren
en om het loon van de copiist (volgens het Edictum
de pretiis van keizer Diocletianus, 301 nC, 20 à
25 denarii per 100 στίχοι te kunnen vaststellen.
Flavius Josephus deelt
in zijn Ἀρχαιολογία zelf
mee dat het werk 20 boeken en 60.000 στίχοι omvat;
volgens Diogenes Laërtius bedroeg de totale
omvang van Aristoteles' oeuvre 445.270 'stichoi'.
De alexandrijnse bibliothecaris Callimachus
vermeldde in zijn Πίνακες steeds bij elk werk het
aantal στίχοι. Daarop gaan vermoedelijk de stichometrische
notities terug die in talrijke griekse papyri
en handschriften bewaard zijn gebleven, doorgaans
in de vorm van in de linker marge aangebrachte
honderdtallen. In latijnse handschriften komen
zulke aanduidingen zelden voor. Toen de
codex-vorm
algemeen werd, vond het nummeren
van de folia, na de uitvinding van de boekdrukkunst
het nummeren van de bladzijden ingang.
Lit. W. Weinberger (PRE 3A, 2487-2489). - E. M. Thompson,
A Handbook of Greek and Latin Palaeography (Oxford 1892,
Chicago 1966) 78-82. K. Ohly, Stichometrische Untersuchungen
(Leipzig 1928 - Nendeln/Wiesbaden 1968).
[Nuchelmans]