
Daarnaast bestond de bemanning uit de kapitein (τριήραρχος), de stuurman (κυβερνήτης), een tweede stuurman (πρῳρεύς of πρῳράτης), een stafofficier (πεντηκόνταρχος), een bootsman (κελευστής), een timmerman (ναυπηγός, een fluitspeler (αὐλητής) en 10 à 20 mariniers (ἐπιβάται). zowel de roeiers als de overige bemanningsleden waren, althans in Athene, meestal burgers, zelden slaven of huurlingen.
Omdat er geen enkele afbeelding van een complete t. bewaard gebleven is, is het moeilijk vast te stellen hoe de roeiers precies geplaatst waren. Hoewel andere opvattingen nog steeds verdedigd worden, wordt tegenwoordig doorgaans aangenomen dat de drie rijen roeiers aan beide zijden boven elkaar geplaatst waren, en wel - om te voorkomen dat de riemen verward raakten - trapsgewijze, zodat elke roeier enigszins vóór de man onder hem zat. Voor de bovenste rij was langs de zijkanten van de romp een outrigger (παρεξειρεσία) aangebracht, waarop de riemen van deze rij rustten. De roeiers van deze rij die iets verder naar buiten neplaatst waren dan de beide rijen onder hen, hadden de moeilijkste slag, omdat zij met de scherpste hoek op het water moesten roeien.


In vredestijd werden de t.n op het droge getrokken
en opgeborgen in boothuizen (νεώρια
of νεώσοικοι),
waarvan in Piraeus
interessante resten teruggevonden
zijn; een speciale commissie uit de
Raad (νεωροί) was met het toezicht daarop belast.
Lit. F. Miltner (PRE 7A, 116-119). - C. Torr, Ancient Ships
(Cambridge 1895, ²Chicago 1964). M. Amit, Athens and the Sea. A study
in Athenian seapower Coll. Latomus 74, Bruxelles 1965). J. S.
Morrison/R.T. Williams, The Greek Oared Ships 900-322 BC (Cambridge
1968). L. Casson, Ships and Seamanship in the Ancient World
(Princeton 1971). J. Rougé, La marine dans l'antiquité (Paris 1975).
[Nuchelmans]