Attis

Attis (Ἄττις), kleinaziatische, oorspronkelijk phrygische god uit het gevolg van de godin Cybele (Magna Mater). Deze werd verliefd op A., die haar trouw en kuisheid beloofde. Toen hij deze belofte schond, werd hij door Cybele met krankzinnigheid gestraft, ontmande zich en vond daarbij de dood of werd, volgens een andere versie, in een spar veranderd. Later kreeg Cybele berouw over haar daad, maar het lukte haar niet, A. weer ten leven te wekken. Daarop stichtte zij een rouwfeest, waarbij haar priesters, de Galli, de bergen introkken om de verdwenen A. te zoeken, en in extatische droefheid en vreugde zichzelf verminkingen toebrachten, ja zich zelfs ontmanden. Deze eredienst werd reeds in de Oudheid als een symbool van het jaarlijkse afsterven en herleven van de plantenwereld uitgelegd. De A.-figuur vertoont dan ook veel overeenkomst met die van Adonis; volgens een oude versie van de mythe werd A. evenals Adonis door een everzwijn gedood.

Het centrum van de A.-cultus was tot in de late keizertijd Pessinus in Phrygië. In Griekenland schijnt hij meer door de vreemdelingen dan door de Grieken zelf vereerd te zijn. Naar Rome kwam zijn eredienst tegelijk met die van de Magna Mater in 204 vC; A. kreeg er een officiële status ten tijde van keizer Claudius (41-54). Zijn feest was in Rome een onderdeel van de grote lentefeesten van 15 tot 28 maart; 24 maart was de dies sanguinis (bloeddag), waarop de ontmanning en dood van A. herdacht werden. Overigens bestaat over zijn cultus nog weinig zekerheid. Degenen die zich in zijn mysteriën lieten inwijden, schijnen daarin een garantie van onsterfelijkheid gezien te hebben.

In de kunst werd A. gewoonlijk afgebeeld als een jongeling met vrouwelijke trekken, gekleed in een phrygische broek en met een phrvgische muts op. Zo komt hij vooral voor op romeinse munten en sarcofagen. Beroemd is de liggende A. uit Ostia (ca. 130-140 nC), thans in het Lateraans Museum te Rome (zie hieronder).


Lit. Catullus 63. Ovidius, Fasti 4, 221-244. Arnobius, Adversus nationes 5, 5-7. - F. Cumont, (PRE 2, 2247-2252). A. Brelich (EAA 1, 906-908). - H. Hepding, Attis. Seine Mythen und sein Kuit (Religionsgeschichtliche Versuche und Vorarbeiten 1, Giessen 1903). J. G. Frazer, Adonis, Attis, Osiris (London 1906). H. Graillot, Le culte de Cybèle, mère des dieux (Paris 1912). P. Lagrange, Attis et le Christianisme (RB 1914, 418-480). J. Carcopino, La réforme romaine du culte de Cybèle et d'Attis (Aspects mystiques de la Rome païenne, Paris 1941, 49-171). M. Nilsson, Geschichte der griechischen Religion 2² (München 1961) 640-657. P. Lambrechts, Attis. Van herdersknaap tot god (Verh. Kon. Vlaamse Acad., Kl. Lett., 46, Brussel 1962). [Nuchelmans]


mythen