Damu

Damu, naam van een tweetal goden uit het sumerisch-babylonische pantheon.

(1) Damu (betekenis: 'het kind'?), vegetatiegodheid uit Sumerië, misschien oorspronkelijk deel uitmakend van het pantheon der zich op plant- en tuinbouw toeleggende zuidelijke bevolkingsgroep (Jacobsen), stadsgod van Girsu aan de Eufraat. Hij is de hypostase van het levenssap dat in het voorjaar uit de wortels in de plant opstijgt en deze doet groeien. Hij speelt een belangrijke rol in de riten welke ten doel hebben de verdwenen vruchtbaarheid door weeklachten en mimische speurtochten terug te brengen:

D. wordt beschouwd als de godheid, die in de zomer slaapt of in de onderwereld vertoeft, en die na in allerlei bomen te zijn gezocht, weer uit de Eufraat opduikt. Tijdens de 3e dynastie van Ur en het begin van de Isindynastie werden de gestorven koningen die ook vergoddelijkt werden - beschouwd als incarnaties van D. Zijn cultus en de weeklachten om hem beïnvloedden en vermengden zich met die van Dumuzi (Tammuz), de vruchtbaarheidsgod, die in het pantheon van de schaapherders een vergelijkbare positie innam.

(2.) Damu, beschouwd als zoon van Ninisina en Pabilsag, of als zoon van Gula, god uit het pantheon van Isin, met de karaktertrekken van goddelijke arts en bezweerder; naar zijn wezen nog niet goed gedefinieerd. Hij komt dikwijls voor in oud-babylonische persoonsnamen (o.a. 'Damu-is-arts')


Lit. ad (1) A. Falkenstein (SAHG p. 185v, nr. 34: 'Tammuzklage' over D.). Th. Jacobsen, Toward the Image of Tammuz (History of Religions 1, 1962, 202); Id., Ancient Mesopotamian Religion: The Central Concerns (Proc. Am. Phil. Soc. 107, 1963, nr. 6, 476-479). ad (2) E. Ebeling (RLA 2, 115v). F. R. Kraus (JCS 3, 1951, 80 nr. 1). [Veenhof]


Lijst van Goden