De adcocatus heeft in het romeinse procesrecht van de republikeinse tijd een principieel andere functie dan de tegenwoordige advocaat. Pseudo-Asconius definieert zijn taak als volgt: a. aut ius suggerit aut praesentiarn suam accomodat amico ('de a. geeft een vriend rechtskundig advies of staat hem door zijn tegenwoordigheid bij'). De a. was dus een gezaghebbend familielid of vriend die, zoals de naam ook aangeeft, door een procederende partij te hulp werd geroepen om adviezen te geven en het proces bijwoonde, niet zozeer om te pleiten - dat was officieel de taak van een patronus of orator - als wel om met zijn gezag de zaak te steunen. De a. mochten geen geld voor hun diensten vragen, maar het staat vast, dat zij aangeboden geschenken niet weigerden. In de klassieke tijd werd de assistentie van een a. zo noodzakelijk geacht, dat de praetoren aan degenen die van juridische bijstand verstoken waren, een a. toewezen.
In de keizertijd vervaagde het scherpe onderscheid
tussen de officiële pleiter en de a. steeds meer; de
namen patronus en orator werden door de naam a.
vervangen.