Mancipium term uit het romeinse recht, die drie betekenissen kon hebben.
1. Soms werd m. in dezelfde zin gebruikt als mancipatio. De Romeinen maakten onderscheid tussen res mancipi, voor de verhandeling waarvan zulk een formele eigendomsoverdracht vereist was, en res nec mancipi. Tot de eerste behoorden slaven, last- en trekdieren, grond en daarop rustende dienstbaarheden, tot de tweede alle overige zaken.
2. Daarnaast drukte m. ook de op mancipatio gebaseerde gezagsverhouding uit. Zo zei men van een kind dat door zijn vader door emancipatio uit de patria potestas werd ontslagen, dat het zich na 'verkoop' door de vader in mancipio van de formele koper (paier fiduciarius) bevond. Deze toestand werd tenslotte door manumissio (bij een dochter na een enkele, bij een zoon na drievoudige mancipatio) opgeheven.
3. Tenslotte kon m. ook nog betekenen een slaaf
of slavin die door mancipatio was verworven en aldus
bestanddeel van iemands vermogen was geworden.
Lit. Gaius 1, 132. - A. Steinwenter (PRE 14, 1010-1014). M.
Kaser, Das römische Privatrecht 1 (München 1955) 37-42,
106-110, 115-117. - F. de Visscher, M. et res mancipi (Studia
et Documenta Historiae et Iuris 5 1936, 263-324). J. Ellul,
Étude sur la nature et l'évolution juridique du m. (Bordeaux
1936). E. Leifer, M. und auctoritas (Zeitschrift der SavignyStiftung,
R. A. 56, 1936, 136-235; 57, 1937, 112-232). G. Cornil,
Du m. au dominium (Festschrift P. Koschaker 1, Weimar
1939, 404-444). E. Schönbauer, Zwei Grundbegriffe der
römischen Rechtsordnung: nexus und m. (Anzeiger Wiener
Akad. der Wiss. 87, 1950, 323-365). [A. J. Janssen]