Vicarius

Vicarius, bij de Romeinen benaming voor de plaatsvervanger, speciaal van magistraten en hoge officieren. Een v. fungeerde in de eerste twee eeuwen van het keizerrijk als vervanger van een afwezige of overleden provinciebestuurder.

Keizer Diocletianus verdeelde het rijk in vier praefecturae, die samen 12 dioeceses omvatten, die weer in provincies waren onderverdeeld. Elk diocees stelde hij onder een v. met de ridderlijke rang van perfectissimus, met uitzondering van Italië dat twee vicarii had. In de loop van de 4e eeuw kreeg de v. de senatoriale titel clarissimus, later die van spectabilis. De v. verving in zijn diocees de praefectus praetorio, die aan het hoofd stond van zijn praefectura. Hij had als hoofdtaak het toezicht op het bestuur en de beroepsrechtspraak. In rang en bevoegdheid stond hij boven de provinciebestuurders. Slechts Asia en Africa werden als vanouds door proconsules bestuurd die in rang niet onder de v. stonden.

Deze had verder o.m. toezicht op de staatspost, op belastingheffing en privileges en gaf berichten door aan de keizer. Bovendien trad hij op als gewoon rechter. Hij had een bureau tot zijn besclukking met 200 à 300 officiales onder leiding van een princeps. Onder Caracalla wordt voor het eerst een v. genoemd als vervanger van de praefectus urbi. Ook deze functie ontwikkelde zich onder Diocletianus tot een vast instituut.


Lit. K. Schneider (PRE 8A, 2015-2053). - W. Sinningen, The vicarius urbis Romae and the Urban Prefecture (Historia 8, 1959, 97-112). M. Arnheim, Vicars in the Later Roman Empire (Historia 19, 1970,593-606). [A.J.Janssen]


Register