Taurobolium (ταυροβόλιον, 'stierslachting'), naam van een rituele handeling die vooral in de eredienst van de Mater Magna werd verricht, maar niet tot haar cultus behoorde toen deze in 205 vC in Rome werd ingevoerd. Het t. kwam pas in het begin van de 2e eeuw nC vanuit het Oosten (Klein-Azië?) naar het Westen; in Rome was het bijzonder populair tijdens het heidense réveil in de laatste decennia van de 4e eeuw. Er blijken verschillende vormen van de ceremonie te hebben bestaan. In haar meest geavanceerde vorm was zij een bloeddoop, waarbij een priester of de opdrachtgevende leek zelf afdaalde in een put (fossa sanguinis) waarop een rooster gelegd werd en waarboven vervolgens een stier geslacht werd zodat diens bloed op hoofd en kleding van de dopeling terecht kwam; een uitvoerige beschrijving is te vinden in Prudentius' Peristephanon 10, 1006-1050.
De juiste betekenis van de rite, die zowel pro salute
imperatoris als ten behoeve van een particulier persoon
verricht werd en die, naar het schijnt, na twintig
jaar herhaald moest worden, is niet geheel duidelijk.
Sommigen zien er slechts een vorm van geestelijke
reiniging in, anderen een mystieke wedergeboorte,
die geïnspireerd zou kunnen zijn door de
tauroctonie van Mithras. De oorsprong van het
t. kan teruggaan op het oeroude geloof dat de kracht
van het buitgemaakte dier overgaat op de jager als
deze drinkt van of zich baadt in het dierlijke bloed.
Lit. H. Oppermann (PRE 5A, 16-22). - M. Nilsson, Geschichte der
griechischen Religion 2² (München 1961) 651-654. K. Latte,
Römische Religionsgeschichte (München 1960) 353-356. R. Duthoy, The
T. Its evolution and terminology (Leiden 1969). [Nuchelmans]