Tell Mardikh

kaartpaleis bibliotheekTell Mardikh, ruïneheuvel 60 km ten zuidwesten van Aleppo, die de resten bevat van Ebla, hoofdstad van het gelijknamige koninkrijk dat van 2400 tot 2250 vC grote delen van Syrië beheerste. Binnen een omwalling van 700 x 900 m ligt de 'acropolis' van 150 x 200 x 13 m, waar P. Matthiae in 1964 begon te graven. In 1974-1975 vond hij het paleis uit het 3e millennium vC met een archief van duizenden kleitabletten in een tot dan toe onbekende, noordwest-semitische taal.

(1) Resultaten van het archeologisch onderzoek. Van de lagen I, IV, V en VI is weinig bekend. 1. Fase IIB 1 (2400-2250 vC). Van het paleis uit deze periode is de buitenhof van 32 x 52 m aan de voet van de acropolis gevonden, met zuilengalerijen langs tenminste twee kanten. In de noordgalerij stond een troonbasis, in de oostgalerij begon een geleidelijk stijgende stenen trap. In de hoek tussen deze beide galerijen stond een toren van 10 x 11 m nog tot 7 m overeind; hierin was een steile wenteltrap uitgespaard. Tegen de 3 m dikke muur van de oostgalerij stonden twee kamers met dunnere muren die, op houten planken, het archief hadden bevat.

Het beeldhouwwerk dat het paleis en zijn meubilair sierde was uit verschillende materialen samengesteld; bewaard zijn gebleven houten stier-, deeuwen mensfiguren van een verrassend naturalisme, gedeeltelijk met steen en goud belegd. De zegelafdrukken verraden ook een van het mesopotamische voorbeeld reeds onafhankelijk geworden vormentaal. Het aardewerk uit de brandlaag in dit paleis bestaat o.m. uit geribbelde bekers als gevonden op Ta'yinat in fase I (2500-2250 vC). In de brandlaag lag ook een albasten deksel met een opschrift van Pepi I. De verwoesting wordt door de opgraver toegeschreven aan Naramsin van Akkad, die zich erop beroemde Ebla voor het eerst te hebben veroverd.

paleis2. In fase IIB 2 (2250-2000 vC) werd over de bouwval van het paleis een stenen trap aangelegd, die naar een voorloper van de latere acropolistempel leidde. De bekers uit deze tijd zijn vaak beschilderd als op Ta'yinat in fase J (2250-2000 vC).

3. Fasen IIIA (2000-1800 vC) en IIIB (1800-1600 vC). In de omwalling is de zuidwestpoort onderzocht. De doorgang, 21 m lang, leidde door drie deuropeningen, elk 3 m breed. De deuropeningen waren bekleed met bazaltplaten van 2 x 1,5 x 1 m, daartussen stonden kalksteenplaten van 4 X 1,5 x 1 m. Terrasmuren hielden de aardmassa van de wallen bijeen, op de top waarvan de eigenlijke stadsmuur gelopen moet hebben. De kalkvloer van de poort vertoonde karresporen en was bedekt met 15 cm houtskool. Twee tempels in de benedenstad hadden 3 m dikke muren aan drie kanten en twee zuilen aan de ingang, zodat de begane grond uit een diepe portiek bestond. De hoofdtempel stond op de acropolis en bestond uit een cella van 12 X 7 m met een nis in de lengte-as, een brede ondiepe antecella en een brede ondiepe portiek. In de cella stond een dubbele waterkuip met reliëf van een godenpaar aan de maaltijd in een stijl van ca. 1900 vC. Vaatwerk uit het tempelgebied vertoonde zegelafrollingen met voorstellingen van de stormgod en de avondstergodin, die tegen 1700 vC te dateren zijn. Een gebouw aan de noordrand van de acropolis, waarvan de 1 m dikke muren met stenen platen bekleed zijn wordt als paleis geïnterpreteerd. Inmiddels is echter in de benedenstad een gebouw van tenminste 32 x 48 m aan het licht gekomen, met muren van 3 m dik; onder de vloeren hiervan vond Matthiae de graftomben van de 'prinses' (ca. 1800 vC), met gouden neusring, halsketting, speld en armbanden en een onyx vaas, en van de 'heer der bokken' (ca. 1750 vC), zo genoemd omdat de armleuningen van zijn troon uit bronzen bokken bestonden. Te oordelen naar opschriften respectievelijk op een zilveren schaal en op een ivoren, zilveren en gouden scepter heette hij Immeya en was hij een tijdgenoot van Hotep-ib-Re van Egypte. [van Loon]

(II) Teksten en taal. De voornaamste tekstvondsten zijn gedaan in twee vertrekken die tot de fase II B 1 behoren: ca. 1000 kleine teksten van administratieve aard in kamer L 2712, en ca. 15000 teksten en fragmenten (oorspronkelijk ca. 5000 teksten?) in kamer L 2769. Deze laatste was een gesloten ruimte, slechts toegankelijk via een ten zuiden eraan grenzend 'scriptorium', een lange kamer met lage banken langs de westelijke wand, typisch voor schrijf-, lees- en sorteeractiviteiten. In L 2769 werden de tabletten langs drie wanden op brede houten schappen (drie boven elkaar) in systematische orde bewaard. Iets van die ordening bleek achterhaalbaar uit de analyse van de ligging der tabletten die op de grond gevallen waren toen de schappen verbrandden. In de hof zelf vond men op een houten draagblad 23 grote tabletten die betrekking hebben op textielproductie.

De inhoud van L 2769 bestond uit bescheiden van de koninklijke kanselarij en documenten ten dienste van de schrijvers(opleiding). De kanselarij bewaarde documenten met betrekking tot politiek, bestuur en economie van de staat Ebla, die veel handelscontacten had en een gebied met een straal van misschien ca. 100 km rond en vooral ten westen van de stad beheerste. Er waren veelvuldige contacten met Mari, maar de bekende, oude steden in het westen (Ugarit, Hamat, Byblos) komen niet in de documenten voor. Deze registreren primair de beweging van goederen en personen, in het kader van handel en nijverheid (herkomst, productie, bestemming; zilver, goud, tin, brons, koper; kudden, wol, textiel), bestuur (rantsoenen, geschenken, toewijzingen) aan allerlei personen (officials en buitenIanc;ise bezoekers), politiek (tribuut, geschenken, buit), en cultus (uitgaven voor offers e.d.). Men kende dagboekingen en omvangrijke maand- en jaarstaten, de laatste op soms zeer grote tabletten met aan weerszijden tot 16 kolommen tekst. Dit materiaal, samen met een beperkt aantal brieven en akten (koop, overdracht, rechterlijke beslissingen), maakt een gedetailleerde analyse van politiek en economie van Ebla mogelijk.

tabletDocumenten ten dienste van de schrijvers(opleiding) bestaan uit hand- en oefenboeken voor het gebruik van het mesopotamische spijkerschrift in zijn op het schrijven van (oud)sumerisch toegespitste vorm: de vorm en de combinaties der tekens en het lexicon. Zo vinden we tekenlijsten met spelling van de uitspraak (syllabaren) en allerlei woordenlijsten, zoals we die grotendeels ook uit het contemporaine Mesopotamië (uit Suruppak en Abu Sjalabich) uit de 25e eeuw vC kennen. De woordenlijsten zijn thematisch (namen van dieren, plaatsen, beroepen en personen, e.d.) of naar begintekens of -woorden systematisch, in groepen geordend. De wel oudste exemplaren blijkens de colofons, die inzicht geven in de opeenvolging en carrières der voornaamste schrijvers zijn complete, zorgvuldige edities, en daarnaast staan tal van excerpten van wisselend formaat, die het resultaat zijn van het schrijfonderricht. Ook zijn enkele mathematische teksten en lijsten met maten en gewichten gevonden. De creativiteit van de (kleine groep) schrijvers blijkt uit enkele lijsten die wellicht eigen compilaties zijn en voorts uit het toevoegen van glossen, die ofwel de sumerische uitspraak of het equivalent in de eigen taal van Ebla uitspellen. Dit laatste type vindt men op grote schaal in de omvangrijkste lijst, die de naam draagt si-bar unken (wellicht 'geschrift verzameling'), een collectie van bijna 1500 sumerische woorden, die naar hun eerste teken in groepen geordend zijn. In de van glossen voorziene, dus tweetalige editie, hebben we meer dan 500 uitgespelde eblaïtische woorden. Dit materiaal vormt, samen met glossen in andere lijsten, eblaïtische woorden in oorkonden, enkele andere overwegend in het eblaïtisch geschreven teksten (brieven, acten, bezweringen) en eblaïtische persoonsnamen, het materiaal voor de reconstructie van de 'eblaïtische taal', waarin de teksten, ondanks hun overwegend sumerisch-mesopotamische schrijfwijze, gelezen moeten zijn, zoals o.a. blijkt uit suffixen, preposities en fonetische complementen.

De eigen aard en linguistische classificatie van het 'eblaïtisch' is omstreden. Dit is o.a. het gevolg van de aanvankelijk gebrekkige kennis, van ontoereikende classificatiecriteria en van onvoldoende analyse van de orthografie. 'Eblaïtisch' werd geclaimd als 'oudkanaänitisch', genealogisch nauw verwant aan ugaritisch en hebreeuws; tal van namen van personen, steden en woorden werden gelezen, die onjuist zijn gebleken: de koningen Sargon en Mesalim, de steden Akkad, Assur, Kanis, Ugarit, Byblos, Sodom en Gomorra, Jeruzalem, persoonsnamen met Ja- als theofoor element enz. Onjuiste lezingen hadden ook consequenties voor de interpretatie van bepaalde teksten (een vermeend handelsverdrag met Assur; een vermeend verslag van de verovering van Mari door Ebla), voor de overdreven voorstelling van de omvang van het rijk Ebla en voor de chronologie. Thans is men zeer voorzichtig t.a.v. de linguistische positie van het 'eblaïtisch', dat men noch tot min of meer directe voorloper van het westsemitische ugaritisch noch tot een oudakkadisch dialect (ondanks overeenkomst in het systeem der verbale stammen) durft te maken. De taal vertegenwoordigt een eigen oudsemitische grootheid, die duidelijke overeenkomsten en verbindingslijnen heeft zowel met (latere) westsemitische talen als (duidelijker) met het oostsemitische oudakkadisch, zonder daarmee geïdentificeerd te kunnen worden. Men beseft dat men zeer voorzichtig gebruik moet maken van het rijke bestand aan persoonsnamen (die wellicht van gemengde origine zijn) en dat er nog onvoldoende goed begrepen, volledig eblaïtische teksten zijn ontcijferd. De glossen in woordenlijsten zijn nog lang niet allemaal geduid en de kennis van morfologie en zeker syntaxis blijft nogal achter bij die van fonetiek en lexicon.

De datering van Ebla's bloeiperiode is eveneens omstreden. De paleografie der teksten, het schrijfsysteem, kunsthistorische en ceramische argumenten (stijl en motieven van rolzegels, reliëf en inlegwerk) suggereren een datum van ca. 2400 vC voor Ebla's laatste koningen, Ebrium en Ibbi-Zikir, uit wier regering de meeste teksten stammen. Gelb heeft aangetoond dat het schrijfsysteem van Ebla, voor zover het afwijkt van het klassiek sumerische uit Zuid-Mesopotamië, voorlopers heeft in Midden-Mesopotamië, waar het semitische element van oudsher sterk was. Het zou vandaaruit, bv. via Mari, Ebla bereikt kunnen hebben, dat dus geen prioriteit en creativiteit kan claimen, maar een bestaand schrijfsysteem cultiveerde. Het kan in het verre Ebla, binnen een kleine kring van schrijvers, overgeleverd zijn zonder natuurlijke evolutie. De teksten zelf bieden geen historische aanknopingspunten. De uit Mesopotamië bekende koning Iblul-II van Mari (uit de late vroeg-dynastieke periode) komt voor in een brief, wel als een oudere tijdgenoot van de op twee na laatste vorst van Ebla, Ar-Ennum. Een verwoesting van Ebla door Naramsin van Akkad, vermeld in een inscriptie van deze vorst, zou het einde van Ebla rond het midden van de 23e eeuw vC plaatsen, wat i.v.m. schrift, teksten en kunstproducten, erg laat lijkt. Wellicht moet men eerder aan Sargon zelf of een andere vorst (uit Mari, Syrië?) denken. Hoe men ook dateert, de ondergang door brand heeft het archief van kleitabletten geconserveerd en dit vormt een unieke bron van informatie inzake een belangrijke oudsyrische stad in een gebied en periode die tot dusverre, afgezien van enkele vermeldingen door vreemde veroveraars en een enkele egyptische inscriptie, als prehistorisch gekwalificeerd moesten worden. De zorgvuldige studie der archieven kan deze oude cultuur, met zijn taal, tot nieuw leven brengen, hetgeen ook voor de bijbelwetenschap, hoeveel jonger en verder weg het oude Israël ook was, van belang kan zijn. De teksten uit Ebla, vooral ook de teken- en woordenlijsten, zijn van grote betekenis voor de sumerologie, vooral door de syllabische spellingen. De reconstructie van de eigen taal van Ebla voegt aan de vergelijkende semististiek een nieuwe dimensie toe.

De vondsten in Ebla hebben, vooral na 1977, aanleiding gegeven tot een stroom litteratuur, o.a. in een speciaal aan Ebla gewijd tijdschrift (Studi Eblaiti, Rome 1979vv) en via bundels met voordrachten, gehouden op aan Ebla gewijde congressen. De teksten worden sinds 1979 systematisch uitgegeven in twee met elkaar concurrerende edities.


Lit. Opgravingsverslagen en analyses van bepaalde vondsten in de tijdschriften Studi Eblaiti (Rome l979vv), Akkadica (Brussel I977vv) en Annales Archéologiques Arabes Syriennes (Damascus). Zie voorts K. Veenhof, Ebla - Tell Mardich (Phoenix 23, 1977, 7-24). P. Matthiae, Preliminary Remarks on the Royal Palace of Ebla (Syro-Mesopotamian Studies 2/2, 1978). Id., Ebla in the Period of the Amorite Dynasties and the Dynasty of Akkad (Monographs of the Ancient Near East 1/6, Malibu 1979). Tekstedities: G. Pettinato e.a., Materiali Epigrafici di Ebla (Napels 1979vv; vier delen verschenen). Missione Archeologica Italiana in Siria ed., Archivi Reali di Ebla. Testi (Rome 1981vv; drie delen verschenen).

Belangrijke tekstbewerkingen met commentaar in de tijdschriften Studi Eblaiti en Oriens Anti uus. Voorts: G. Pettinato, Il calendario di Ebla (AfO 25, 1977, 1- 6). Id., L'Atlante geografico del Vicino Oriente antico attestato ad Ebla (Or 47, 1978, 50-73). Id., Il commercio internazionale di Ebla (in State and Temple Economy in the Ancient Near East, Leuven 1979, 171-234). Taal: L.J. Gelb, Thoughts about Ibla (Syro-Mesopotamian Studies 1/1, 1977). L. Cagni ed., La lingua di Ebla (Napels 1981; congresband). P. Fronzaroli, La contribution de la langue d'Ebla à la connaissance du sémitique archaïque (in Mesopotamien und seine Nachbarn, Berlin 1982, 131-146). Id., Problemi di fonetica eblaita (Studi Eblaiti 1, 1979, 65-89). M. Krebernik, Zurn Syllabar und Orthographie der Iexikalischen Texte aus Ebla (ZA 72, 1982, 178236; 73,1983, 1-48).

Algemeen: P. Matthiae, Ebla, un impero ritrovato (Turijn 1977; engelse vertaling Ebla, an empire rediscovered, New York 1981). G. Pettinato, The Archives of Ebla. An empire inscribed in clay (ib. 1981). Id., Culto officiale ad Ebla (Rome 1979). R. Biggs, The Ebla Tablets. An interim perspective (BA 43, 1980, 76-88). Ebla en het OT: K. Veenhof, Tell Mardich - Ebla. Het oudste Syrië en het OT (NTT 32, 1978, 1-11). A. Archi. The Epigraphic Evidence trom Ebla and the OT (Biblica 60, 1979, 556-566). Id., Further Concerning Ebla and the Bible (BA 44, 1981, 145-154). G. Pettinato, Polytheismus und Henotheismus in der Religion von Ebla (in O. Keel, Monotheismus im alten Israel und seiner Umwelt, Freiburg 1981, 31-48). [Veenhof]


Kaart