(I) In het OT is A. (hebreeuws hebel: ijdelheid,
damp) tweede zoon van Adam (Gn4,2) en
broeder van Kaïn. Hij bracht
als offer de eerstgelingen
van de kudde. Dit offer werd aanvaard in
tegenstelling tot het onbloedige offer van de landbouwer
Kaïn. Waaruit dit bleek, vermeldt de bijbelschrijver
niet, maar wel, dat Kaïn in jaloersheid ontstoken
A. doodde. Sommigen zien in het verhaal van
A. en zijn broeder een herinnering aan de tegenstelling
tussen de herder en de landbouwer in de grijze
oudheid. In de christelijke overlevering werd A. de
oergestalte van de rechtvaardige (Mt 23,25; 1Jo 3,12)
en gelovige (Hb 11,4). Hiernaast een mozaïek uit de San Vitale
in Ravenna (6e eeuw nC).
Lit. K. Kuhn (ThW 1, 6v). - J. B. Bauer, Kain und Abel
(Theol. prakt. Quartalschrift 103, 1955, 126-133). [Beek]
(II) In het NT heeft de cultuurhistorische tegenstelling
tussen nomaden-herders en sedentaire landbouwers,
die de achtergrond vormt van het verhaal van
Gn, plaats gemaakt voor de religieus-ethische. A.
wordt niet meer gehaat om de zegen van God, die
blijkt uit de grotere vruchtbaarheid van zijn land,
maar om zijn geloof (Hb 11,4) en zijn gerechtigheid
(1Jo 3,12). Zo wordt hij het prototype van de christelijke
martelaar (Mt 23,35; Lc 11,51), in welke hoedanigheid
hij ook in de oud-christelijke kunst figureert,
en een typus van Christus (Hb 12,24).
Lit. K. Kuhn (ThW 1, 6v).
[Bouwman]