Boaz (hebreeuws bō'āz: in hem is kracht) naam van:
(1) Boaz, de man die volgens het boek Ruth optreedt als de goo'eel (losser; naaste bloedverwant met verplichtingen) van de familie van Noömi, en daarom met de moabitische Ruth een leviraatshuwelijk aangaat. Het verhaal speelt zich af in Bethlehem. B. geldt dan ook als een der voorvaderen van David (Rt 4,21v) en werd in het geslachtsregister van Jezus opgenomen (Mt 1,5; Lc 3,32).
(2) Boaz, een van de twee koperen tempelzuilen, de
Jakin en de B. bij de toegangspoort van de tempel
van Salomo (1Kg 7,21), die vervaardigd werden
door Hiram uit Tyrus. Dergelijke zuilen zijn ook
aangetroffen bij syrische en fenicische tempels; men
vermoedt dat ze een functie hadden als vruchtbaarheidssymbolen.
Bij ceremoniële plechtigheden stelde
de koning zich bij een der zuilen op, zoals Josia
bij de inzet van zijn hervorming (2Kg 23,3) en de
zevenjarige Joas bij zijn uitroeping tot koning (2Kg
11,14). Jr 52,20-23 geeft een beschrijving van de
twee zuilen.
Lit. (ad 2): R. B. Y. Scott, The Pillars Jachin and B. (JBL
58, 1939, 143-149). W. F. Albright, Two Cressets from
Marisa and the Pillars of Jachin and B. (BASOR 85, 1942,
18-27). H. G. May, The Two Pillars before the Temple of
Salomon (ib. 88, 1942, 19-27). S. Yeivin, Jachin and B.
(PEQ 91, 1959, 6-23). W. Kornfeld, Der Symbolismus der
Tempelsäulen (ZAW 74, 1962, 50-57).
[Beek]