In een citaat van Papias bij Eusebius
(Hist. eccl. 3,39,3) is - naast zeven apostelen
waaronder J. - sprake van de presbyter J. Papias
zegt, dat hij placht na te gaan, wat Andreas enz.
gezegd hebben en wat Aristion en de presbyter J.,
de leerlingen des Heren, zeggen. Blijkens de tijd die
gebruikt wordt, zijn de laatsten nog in leven, terwijl
de zeven eerder genoemden reeds gestorven zijn.
Irenaeus heeft zich dus vergist, toen hij schreef, dat
Papias de apostel J. nog gehoord heeft. Hij identificeert
ten onrechte de presbyter met de zoon van
Zebedeüs. Omdat de schrijver van 2 en 3 Jo zich
ὁ πρεσβύτερος noemt, zien sinds Harnack velen in
J. de presbyter de auteur van deze brieven en daarmee
ook van het evangelie van J.
Lit. Zie J.de Apostel, sub Evangelie. [Bouwman]