Sedekia (Heb. sidqijjāhū), laatste koning van Juda (597-587 vC). Hij
heette oorspronkelijk Mattanja (2Kon 24:17) en was als zoon van Josia
en Chamutal evenals zijn broer Joachaz eerst een vertegenwoordiger
van een politiek die tegen Egypte was gericht; als
zodanig werd hij als 18-jarige
door Nebukadnessar na de eerste verovering van Jeruzalem (16-3-597) na de
afzetting en de deportatie van Jojakin tot
koning over Juda benoemd waarbij hij de
naam S. kreeg. Hij schijnt in het begin
het goede voornemen te hebben gehad,
zijn vazalleneed te houden, maar raakte
al spoedig betrokken bij plannen tot opstand.
Jeremia bericht, misschien uit het
4e regeringsjaar van S. (= 594), omtrent
afgezanten die S. tot afval moesten bewegen (Jer 27 :1-15); dit plan is toen
echter nog niet verwerkelijkt. Later heeft
S. zich echter niet kunnen of willen onttrekken
aan het aandringen van de Babel
vijandig gezinde partij, en zo kwam hij
tot afval. Meteen trok het Babyl. leger op
en in 589 begon de belegering van Jeruzalem.
S. werd door Jeremia opgeroepen
de stad over te geven, maar durfde deze
beslissing niet te nemen. Hij wilde de
oorlogspartij niet tegen zich innemen,
maar beschermde tenslotte toch Jeremia
tegen hun vervolging (Jer 37:l7vv). Zo
ontstaat het beeld van een koning die
onzeker is en met zich laat sollen. Zijn
einde was tragisch: na de val van de stad
trachtte hij te vluchten, werd echter gevangen genomen in het Jordaandal en
door Nebukadnessar naar Ribla gebracht. Zijn zonen werden voor zijn ogen
gedood, hij zelf werd blind gemaakt en
naar Babylon gevoerd, waar hij waarschijnlijk spoedig is gestorven
(2 Kon25:7; Jer39:7). [A. Jepsen]