Doxologie (δοξολογία), lofprijzing van God door middel van bepaalde gebedsformules. De term zelf komt in de oudste christelijke teksten niet voor, maar eerst sinds de 3e eeuw (voor het eerst in gnostische teksten: Irenaeus, Adversus haereses 1, 14, 7). Het christelijk gebmik van de d. als afsluiting van gebedsteksten is op joodse traditie gebaseerd: de praktijk van de joodse synagogedienst. Vinden wij in het OT een adjectivische vorm van de d. (met εὐλογητός 'geloofd', met substantiva slechts 1Kr 29, 11), in het NT en in de christelijke teksten vinden wij overwegend de d. door middel van het substantivum δόξα (en verschillende andere). In haar meest eenvoudige vorm luidt de d.: σοί ἐστιν ἡ δὸξα εἰς τοὺς αἰῶνας.
Bij de christenen werd de d. ofwel op Christus betrokken,
of Christus werd genoemd als middelaar
(διὗ) of - en dit vooral in later tijd - de Zoon en de
H. Geest werden tegelijk met de Vader geprezen.
Deze laatste formule vinden wij voor het eerst in
Martyrium Polycarpi 22, 3. Aanvankelijk vindt men
in het Oosten de formule 'door Christus in de H.
Geest'. Sedert ca. 400 overheerste de formulering
'aan de Vader, de Zoon en de H. Geest', waarmee
men zich duidelijker tegen het arianisme wilde aïzetten.
Van het Gloria in excelsis (de zogenaamde grote
d.) biedt de oudste overlevering een van de tegenwoordige
tekst min of meer afwijkende vorm (griekse
tekst: Codex Alexandrinus uit de 5e eeuw en Constitutiones
apostolicae 7, 47; latijnse tekst: Antiphonarium
van Bangor uit de 7e eeuw). Zie ook Aretalogie.
Lit. H. Leclercq (DAL 4, 1525-1536). A. Stuiber (RAC 4, 210-226).
- E. von der Goltz, Das Gebet in der ältesten Christenheit
(Leipzig 1901) 157-160. J. Brinktrine, Zur Entstehung und
Erklärung des Gloria in excelsis Deo (RQ 35, 1927, 303-315).
J. A. Jungmann, Zur Geschichte der Gebetsliturgie V. In unitate
spiritus sancti (Z.f.kath. Theol. 72, 1950, 481-486). B. Botte,
In unitate spiritus sancti (B. Botte/C. Mohrmann, L'ordinaire
de la Messe, Paris 1953, 133-139).
[Bartelink]