Handelingen van de apostelen

Handelingen van de apostelen (grieks Πράξεις Ἀποστόλων, latijn Acta apostolorum).

(I) Auteur van Hand is volgens de traditie (Canon Muratori, Irenaeus, antimarcionitische proloog) de schrijver van het derde evangelie, Lucas. Inderdaad zijn beide werken aan dezelfde persoon opgedragen en vertonen ze grote overeenkomst in taal en stijl. Lucas is de enige van de bekende reisgezellen van Paulus die in Hand niet genoemd wordt (vgl. Col 4, 14; Phlm24; 2Tim4,11). Volgens de traditie was Lucas geboortig uit Antiochië en Hand is inderdaad bijzonder goed geïnformeerd over deze plaats (6,5; 11,9-30; 11,28var; 13,1-3). Blijkbaar hoorde hij bij de Hellenisten, joden met griekse cultuur (6,1; 9, 29; 11,20var). Volgens sommigen is hij identiek met de in Rom 16,21 en Hand 13,1 genoemde Aofmo; (A. Deissmann; B. Reicke).

(II) Inhoud. De titel van het werk is, hoewel zeer oud, niet van Lucas en kan dus geen uitsluitsel geven over de inhoud. Het boek staat dichter bij het genre van de evangeliën dan bij de klassieke πράξεις-literatuur: het wil op de eerste plaats een boodschap zijn. De proloog zegt evenmin iets over de inhoud.

Deze proloog is bovendien bijna onvertaalbaar en wijkt als zodanig sterk af van de klassieke periode Lc 1,1-4, zodat vele auteurs hem voor het werk van een redacteur houden. Het werk zelf geeft echter verschillende aanknopingspunten. Als goed stilist vermijdt Lucas, zoals bekend, doubletten. Wanneer hij die toch heeft, is het om de gedachten te onderstrepen. Welnu, tot driemaal toe worden de volgende feiten vermeld: de bekering van Paulus (9, 1-19; 22,1-16; 26,9-17), de bekering van de heiden Cornelius (10,1-48; 11,1-18; 15,7-11), het besluit van Paulus om zich naar de heidenen te begeven (13,46; 18,6; 28,28), en het decreet van de kerkvergadering van Jeruzalem dat de heiden-christenen dispenseert van het onderhouden van de wet van Mozes (15,20; 15,29; 21,25). Al deze feiten hangen samen met de roeping van de heidenen en de verwerping van de joden. Uit een vergelijking met Gal 2 blijkt voorts, dat Lucas het centrale hoofdstuk 15 sterk heeft aangezet om de portée van dit gebeuren te onderstrepen. Het doel van Hand is dus aan te tonen dat het christendom de rechtmatige voortzetting is van Israël, dat door eigen schuld het heil verbeurd heeft. Daarmee hangt ook het secundaire doel van het werk samen. Lucas wil kennelijk aantonen dat het christendom als legitieme voortzetting van de joodse religie een religio licita is en als zodanig recht heeft op de bescherming van de romeinse overheid. Vandaar dat de Romeinen uitermate gunstig worden voorgesteld en meermalen de christenen in bescherming nemen tegen de joden (16,35-40; 18,12-17; 19,35-40; 23,23-30; 25,14-27; 26,3 lv; 27 ,3-43).

tekst

(III) Literaire vorm. Hand is opgebouwd als een tweeluik, waarop Petrus (1-12) en Paulus (13-28) de hoofdfiguren zijn. Beide luiken worden met elkaar verbonden doordat in 9 Paulus de hoofdrol speelt en Petrus in 15. Literair gesproken zijn beide delen op tegengestelde wijze opgebouwd. Het eerste deel bestaat uit zelfstandig overgeleverde verhalen, die door samenvattingen aan elkaar gelast zijn (2,42-47; 4,32-35; 5,12-16; 6,7). Het tweede deel is een doorlopend verhaal, onderbroken door plaatselijke overleveringen (13,8-12; 14,8-18; 16,25-34; 19,14-16.2340; 20,7-12) en redevoeringen (13; 17; 20; 21v; 27). Dit doorlopend verhaal is waarschijnlijk een soort logboek, dat de metgezellen van Paulus om beurten bijhielden. Blijkbaar heeft Lucas ook enige tijd die taak gehad. Dit verklaart de aanwezigheid van stukken in de eerste persoon, de zogenaamde 'wij-berichten' (16,9-18; 20,4-16; 21,1-18; 27,1-28,16). Waarschijnlijk is dit logboek de kern waaruit het gehele werk gegroeid is.

(IV) Tijd en plaats van ontstaan. Gewoonlijk dateert men Hand rond 80, omdat het boek volgens 1,1 na het evangelie van Lucas is geschreven, dat men omwille van Lc 21,20-24 na de val van Jeruzalem (70) plaatst. Een vrij groot aantal geleerden situeert Hand echter rond 63 (Albertz; Blaiklock; Bruce; Cerfaux/Cambier; Harnack; Hastings; Höpfl/Gut; Koh; Michaelis; Munck; Parker; Sahlin). Hoofdreden hiervan is het slot van Hand, dat als laatste feit de διετία van Paulus vermeldt (61-63). Het is nauwelijks denkbaar dat de auteur zijn lezers bladzijden lang in spanning houdt met het proces van Paulus zonder de uitslag daarvan met een enkel woord te vermelden. Zelfs wanneer hij het voornemen had een derde deel te schrijven, zou hij zijn boek toch hebben kunnen afsluiten als zijn eerste werk (Lc 24,52v). De auteur is verder volledig onbekend met de brieven van Paulus, die waarschijnlijk tussen 75 en 80 verzameld werden, met het evangelie van Mc (ca. 65) en met Flavius Josephus.

En dit terwijl hij in zijn proloog zegt alles nauwkeurig onderzocht te hebben (Lc1,3). Hij zwijgt verder over belangrijke gebeurtenissen als de dood van zijn hoofdfiguren Petrus en Paulus, de ondergang van Jeruzalem en de vervolging van Nero. Zijn sympathie voor de romeinse overheid is na Nero nauwelijks verklaarbaar. De traditionele uitweg uit deze moeilijkheden is dat met hoofdstuk 28 het evangelie het uiteinde van de aarde bereikt heeft en dat daarmee de schrijver het in 1,8 gestelde doel heeft bereikt. Maar volgens 28,15 had het evangelie vóór Paulus Rome bereikt en vervolgens was Rome niet het einde van de wereld, in elk geval niet voor Paulus (vgl. Rom 15,24.28). De moeilijkheid met Hand 1,1 wordt door boven vermelde auteurs verschillend opgelost. Sommige dateren ook het evangelie vroeger, wat dan echter moeilijkheden oplevert met het evangelie van Me, waarvan Le afhankelijk is. De angelsaksische auteurs nemen meestal aan dat met het 'eerste boek' de zogenaamde proto-Lucas is bedoeld, waarin Mc nog niet verwerkt is. Een laatste mogelijkheid is dat Hand vóór Lc is geschreven en Hand 1,1 van een redacteur stamt. Hiervoor pleit dat de theologie van Lc een veel verder stadium van ontwikkeling vertoont dan die van Hand. Plaats van ontstaan is in dit geval Rome. Hierop wijst het feit dat de auteur in 28,15, zeer tegen zijn gewoonte in, namen als Forum Appii en Tres Tabernae niet uitlegt.

(V) Tekst. De zogenaamde westerse tekst van Hand (o.a. in cod. D en de oud-latijnse vertaling) wijkt sterk af van de versie van de grote hss. Men beschouwt deze tekst tegenwoordig veelal als een prerecensionale, dus niet besnoeide, tekstvorm.


Lit. L. Pirot (DBS 1, 42-86). E. Haenchen (RGG 1, 501-508). - J. Dupont, Les problèmes du Livre des Actes d'après les travaux récents (Louvain 1950). R. Koh, The Writings of St. Luke (Hongkong 1953). H. Russell, Which was Written First, Luke or Acts? (HarvThR 48, 1955, 167-174). E. Troemé, Le Livre des Actes et l'histoire (Paris 1957). Ph.-H. Menoud, Le plan des Actes des Apôtres (NTS 1, 1957/1958, 44-51). H. J. Cadbury, The Making of Luke-Acts (London ²1958). J. Dupont, Les sources du Livre des Actes (Bruges 1960). E. Grässer, Die Apostelgeschichte in der Forschung der Gegenwart (ThRs 26, 1960, 93-167). W. C. v. Unnik, The 'Book of Acts' the Confirmation of the Gospel (NTS 4, 1960/1961, 26-59). M. Dibeliustfi. Greeven, Aufsätze zur Apostelgeschichte (FRLANT 60, Göttingen 1961). D. Guthrie, Recent Literature on the Acts of the Apostles (Vox Ev. 2, 1963, 33-49). H. Conzelmann, Die Mitte der Zeit (Tübingen 1964). P. Parker, The 'Former Treatise' and the Date of Acts (JBL 84, 1965, 52-58). A. J. Mattill/M. Bedford Mattill, A Classified Bibliography of Literature om the Acts of the Apostles (Leiden 1966). L. E. Keck/J. L. Martyn (Ed.), Studies in Luke-Acts (Nashville/New York 1966). G. Bouwman, De derde nachtwake (Tielt/Den Haag 1968).
Comm. J. Renié (Paris 1951). E. Haenchen (Göttingen 101-956). C. H. Rieu (Baltimore 1957). G. Ricciotti (Milwaukee 1957). G. Stählin (Göttingen 1962). H. W. Beyer (ib. 1963). H. Conzelmann (Tübingen 1963). L. Turrado (Madrid 1965). [Bouwman]


Afkortingen Lijst van Namen