Jesaja (Boek)

(I) Tekst. Bij de Dode Zee werd in 1947 een compleet hs. van de hebreeuwse tekst van Js gevonden en ook een defectieve tekst, die na enige fragmenten Js 38-66 omvat. Ondanks een groot aantal spellingsvarianten en enkele overeenkomsten met LXX tegenover MT verschilt de tekst niet wezenlijk van de overgeleverde MT.

In de Biblia Hebraica Stuttgartensis (BHS) verscheen als fase. 7 een tekstuitgave, bezorgd door K. Elliger en W. Rudolph (1968). Van M. H. Goshen-Gottstein verscheen The Book of Isaiah, Sample edition with Introduction (Jerusalem 1965), waarin voorbeelden gegeven worden van een tekstuitgave van de hebreeuwse bijbel op grond, niet van de Codex Leningrad, maar van de Aleppo-Codex.

(II) Inhoud. Js is in te delen op de volgende wijze: 1-12. Deze hoofdstukken bevatten de oudste profetieën van Jesaja, waaronder het vredesvisioen (2,1-5), de prediking tegen de luxe van de rijke vrouwen (3,164,1), het lied van de vriend en zijn wijngaard (5,1-7), het roepingsvisioen (6,1-13), de Immanuëlsprofetie (7,1-17), de messiaanse profetieën (9,1-6; 11,1-10), afgesloten door een danklied (12). 13-23. Profetieën tegen de volken, te beginnen bij Babel, vervolgens tegen Assur, Filistea, Moab, Damaskus, Efraïm, Ethiopië, Egypte, nogmaals Babel, Edom en Arabië, uitlopend op woorden tegen Jeruzalem, Tyrus en Sidon.

tekst

24-27. De z.g. 'apokalyps', waaraan gewoonlijk in de kritische wetenschap het auteurschap van J. wordt ontzegd, hoewel er ook argumenten voor de echtheid naar voren zijn gebracht. 28-31. De 'assyrische cyclus', gegroepeerd rondom het thema van afwachten en godsvertrouwen (30, 15) onderbroken door weeroepen over Juda en Jeruzalem en gericht tegen een bondgenootschap met Egypte.

32-35. Heilsprofetieën aangaande Jeruzalems redding, afgesloten met een gericht over Edom. 36-39. Een onderbreking, die een doublure biedt van 2Kg 18-20. Hierin wordt melding gemaakt van uitspraken, die in de profetieën ontbreken. 2Kg 20, 12-21 en Is 39 vermelden het bezoek van afgezanten van Merodach Baladan, aan wie Hizkia de schatten van zijn paleis had laten zien. Dit zou voor J. aanleiding zijn geweest de wegvoering van deze schatten naar Babel te voorspellen. Daar de koning van Babel in 710 vC door de Assyriërs werd verslagen moet het bezoek voordien hebben plaatsgehad, dus eerder dan het beleg van Jeruzalem in 701 vC waarvan Is 36-37 = 2Kg 18-19 gewagen.

(III) 40-66. De tweede J. of Deutero-J., wiens naam onbekend gebleven is, maar op grond van historische toespelingen (Cyrus wordt uitdrukkelijk vermeld 44,28 en 45,1) gedateerd wordt op het einde van de babylonische ballingschap. Reeds Ibn Esra (1092-1 167) schreef de tekst toe aan een profeet op het einde van de 6e eeuw vC. Sinds de ontwaking van de kritische bijbelwetenschap op het einde van de 18e eeuw spreekt men algemeen van de tweede J., hoewel uit conservatieve kringen bedenkingen naar voren komen. Zij beroepen zich op een typisch jesajaanse stijl en woordgebruik, zoals o.a. R. Margalioth, The Invisible Isaiah (New York 1964) gedaan heeft. Blijkens Sir 48,24-25 stonden de hoofdstukken 1-66 in het begin van de 2e eeuw vC reeds op naam van één auteur. Het bij de Dode Zee gevonden handschrift van de gehele Js heeft dit kunnen bevestigen. De afscheiding van een Trito-Jesaja (56-66) heeft minder aanhang gevonden. De moeilijkheid is, dat de hoofdstukken 40-55 evenmin een strakke opbouw vertonen als 56-66. Ze maken de indruk vrij willekeurig, soms naar motiefwoorden, in een kring van leerlingen tezamengevoegd te zijn. De tekst werd dan weer onderbroken door een lied, zoals 59 of een gebed zoals 63,7-64,12.

Door Duhm werden in Deutero-J. de liederen van de Knecht des Heren als onafhankelijke literaire eenheden afgezonderd (42,1-7; 49,1-7; 50,4-11; 52, 12-53,12). Zij gaven aanleiding tot een nog niet afgesloten discussie over de vraag van Hand 8,34 'van wie zegt de profeet dit, van zichzelf of van iemand anders?' Volgens 49,1-5 werd over het vrome Israël gesproken, maar er zijn ook aanwijzingen, zoals Orlinsky betoogde, om te menen dat de profeet van zichzelf sprak.

De tekst van 40-66 is vervuld van een hooggestemde verwachting ondanks verdrukkingen en onoplosbare vragen. De laatste periode van de ballingschap is ervaren als een 'smeltoven der ellende' (48,10), een beproeving waartegen veler geloof niet was opgewassen. De verlossing kwam niet door de messias uit Davids huis, maar door een vreemdeling, de Pers. Men moet daarover met de Schepper niet twisten (45,9-25). Het aantrekkelijk dualisme van de Perzen vroeg om een reactie: God schept licht en duisternis, goed en kwaad (45,6-7). Er is hoop op een verbond van volken, waarin Israël een opdracht heeft om tot een licht der natiën te worden (42,6; 49,8).

Latere hoofdstukken veronderstellen de terugkeer in het land der vaderen. Er is dan grote openheid voor de vreernden, die zich bij Gods volk kunnen aansluiten maar ook de vermaning de sabbat in acht te nemen (56,1-8). Over de trage herbouw van de tempel bekommert de profeet zich minder (66, 1-2) dan over het herleven van heidense praktijken (65,3; 66,17) en het gebrek aan naastenliefde (58, 1-8; 59,13). Daarom eindigt de profeet ook met woorden, waarin het gericht een zwaar accent krijgt.


Lit. J. Lindblom, Die Jesaja-Apokalypse (Lund/Leipzig 1938). M. A. Beek, Ein Erdbeben wird zum prophetischen Erleben. Jes. 24-27 (ArOr 17, 1949, 31-41). E. S. Mulder, Die teologie van die Jesaja-apokalipse (Groningen 1954). P. A. H. de Boer, Second Isaiah's Message (OTS 11, 1956). L. G. Rignell, A Study of Isaiah. ch. 40-55 (Lund 1956). L. Alonso Schökel, Estudios sobre el estilo poetico de Is. 1-35 (Roma 1957). A. Schoors, De litteraire en doctrinale eenheid van Deutero-lsaias (Leuven 1963). H. M. Orlinsky, The so-called 'Servant of the Lord' in Second Isaiah en N. H. Snaith, Isaiah 40-66. A Study of the Teaching of the Second Isaiah and its Consequences (VIS 14, 1967). [Beek]


Afkortingen Lijst van Namen