(I) IM en 2M, in de oudchristelijke overlevering τὰ Μακκαβαϊκα, behoren tot de deuterokanonieke (bij de rooms-katholieken) of apocriefe (bij de protestanten) geschriften van het OT. Naar inhoud en stijl totaal verschillend, behandelen ze beide gedeeltelijk dezelfde periode van het intertestamentaire tijdvak: IM van 175 tot 135, 2M van 175 tot 161 vC.
IM is een oorspronkelijk in het hebreeuws geschreven boek dat in het grieks vertaald is en alleen in deze taal bewaard is gebleven. Het biedt een typisch voorbeeld van hofhistoriografie. De schrijver, wiens identiteit onbekend is, was waarschijnlijk een tijdgenoot van Johannes Hyrkanus, die in 134 hogepriester was geworden. Hij bewondert kritiekloos de makkabese heiden, die hij met hun aanhang vereenzelvigt met het ware Israel. Wie het niet met de Makkabeeën eens zijn, rekent hij tot de vijanden, ook als zij Joden zijn. Zijn taal is geïnspireerd door het OT, vooral door het boek Jozua. Hij bezat een uitstekende kennis van de geografie van Palestina en had toegang tot de archieven, waarin hij brieven en documenten vond, die hij in zijn verhaal opnam. Aan de echtheid van deze oorkonden wordt tegenwoordig op grond van authentieke gegevens niet meer getwijfeld. Zij worden beschouwd als waardevolle bouwstenen bij een wetenschappelijke reconstructie van de geschiedenis zoals deze zich werkelijk kan hebben afgespeeld. Het gaat daarbij om 5,10- 13; 8,23-32; 10,18-20.25-45; 11,30-37; 12,6-18; 13,3640; 14,20.23.27-45; 15,2-9.16-21.
Waarschijnlijk heeft hij ook seleucidische bronnen kunnen raadplegen en daarnaast geschriften over de daden der Makkabeeën zoals deze onder het volk in omloop werden gebracht. De griekse vertaling met zijn vele hebraïsmen is niet fraai. 2M begint heel anders dan IM. De laatste schetste eerst kort het optreden van Alexander de Grote om dan meteen over te gaan tot de wandaden van de Seleuciden. Het is kenmerkend dat 2M preludeert met een epistula festalis van de jeruzalemse priesterschap aan de egyptische diaspora. In twee brieven worden de Joden in Egypte uitgenodigd deel te nemen aan het feest van de tempelwijding te Jeruzalem (1,1-2,18) en daarop volgt een voorwoord (2,19-32), waarin de auteur verklaart dat hij het vijfdelige werk van Jason van Cyrene heeft geraadpleegd (2,33). De schrijver heeft van het begin tot het einde zijn compositie in de hand gehouden. Deze valt in 2 delen uiteen, die beide eindigen met de nederlaag van een vijand en de instelling van een feest om de herinnering levend te houden (10,8 het inwijdingsfeest en 15,36 de Nikanordag, die later in vergetelheid is geraakt).
Zijn eigenlijke verhaal begint 3,1 en toont onmiddellijk waarop hij van het begin tot het einde de nadruk wil leggen. Voor hem staat de tempel in het centrum van de belangstelling die hij van zijn lezers vraagt. De poging die Heliodorus deed om de tempelschat te plunderen en de mislukking van deze heidense aanslag zijn de inzet van zijn boek en rondom dit motief blijft zijn werk gecomponeerd. Zo wil hij tegenover de Seleuciden, die in de voor hen bereikbare wereld voortdurend spraken van de opstand der Joden, het argument plaatsen van de tempelplundering als oorzaak van alle ellende. Toch is hij door Jason van Cyrene voldoende hellenistisch beïnvloed om het motief van de opstand tegen de griekse beschaving niet geheel uit het oog te verliezen. Daarnaast merkt men dat het oudtestamentische schema van Israels zonde als oorzaak van verdrukking mede zijn kijk op de gebeurtenissen heeft bepaald.
In vergelijking met IM is 2M in een goed grieks geschreven. Het is zeker niet uit het hebreeuws of aramees vertaald. De taal is die van een pathetische geschiedschrijving, die de verbeelding van de lezer moet boeien door overdrijvingen, felle afkeuringen, gloedvolle verheerlijking en optreden van hemelse verschijningen. Toch moet men zijn historische waarde niet onderschatten.
2M is door de christelijke kerk positief gewaardeerd.
In het optreden van Heliodorus zag men een
prototype van de aanslagen van de vijanden der kerk
en van het lot dat deze kinderen van de duisternis te
wachten stond. 2 M 6 en 7 boden een aantal geschiedenissen
van martelaren, die modellen zijn geworden
van de christelijke martelaarsakten.
Lit. Commentaren: E. Kautzsch/A. Kamphausen (E. Kautzsch,
Die Apokryphen und Pseudepigraphen, Tübingen 1900). W.
Oesterley/J. Moffat (R. Charles, Apocrypha and Pseudepigrapha,
Oxford 1923). P. D. Schötz (Würzburg 1948). F. M. Abel
(Paris 1949). S. Zeitlin/S. Tedesche (New York 1950-1954).
J. C. Dancy (1M Oxford 1954). J. Nelis (1M Roermond
1972). - Studies: O. Eissfeldt. Einleitung in das Alte Testament³
(Tübingen 1964) 781-788. K. D. Schunk, Die Quellen
des 1. und 2. M-buches (Halle 1954).
(II) 3M en 4M zijn geschriften die niet in de kanon
van de katholieke kerk werden opgenomen. In 3M
wordt verhaald hoe Ptolemeüs IV Philopator (221-205)
de Joden van Egypte had bijeengedreven om
door dronken olifanten te worden vermorzeld. De
Joden werden echter op wonderbaarlijke wijze gered.
De auteur biedt een onwaarschijnlijk verhaal
met als historische achtergrond de anti-joodse woelingen
in de Nijldelta. Hij heeft zijn werk in de loop
van de eerste eeuw vC in het grieks geschreven.
4M, eigenlijk getiteld Περὶ αὐτοκράτορος λογισμοῦ,
is een stichtelijk-filosofisch geschrift, dat overeenkomstig
de titel de rede aanprijst als machtig over
de hartstochten. De rede, door vroomheid geleid,
bleek volgens de schrijver in staat tot grote daden
zoals hij aantoont met voorbeelden, ontleend aan
2M. Het werk is omstreeks het begin van de christelijke
jaartelling in het grieks anoniem verschenen.
Lit. Commentaar: M. Hadas (New York 1953). Studies: J.
Cohen, Judaica et Aegyptiaca. De Maccabaeorum Libro III
Quaestiones Historicae (Groningen 1941). Ad 3M: O. Eissfeldt,
Einleitung in das Alte Testament³ (Tübingen 1964) 788-789.