Psalmen, aan de LXX ontleende term voor de liederen in het Boek der P. en andere liederen binnen en buiten de hebreeuwse canon. Het Boek der p. met 150 p. wordt in het hebreeuws bij voorkeur (sefer) tehilïm genoemd, afgeleid van tehilah (loflied, hymne). In de hebreeuwse canon is het Boek opgenomen onder de derde afdeling van de hebreeuwse bijbel, de Ketuvim (Geschriften); in de LXX (en in navolging daarvan in de meeste vertalingen) neemt het Boek der p. een plaats in onder de poëtisch-didactische boeken (chronologisch gerangschikt, naar de psalmdichter bij uitstek, David).
De telling van MT en LXX (Vg) is verschillend omdat Ps 9v en 114v in de LXX elk als één psalm en Ps 116 en 147 elk als twee p. worden gezien. De LXX kent bovendien nog een 151e psalm (die gegevens uit IS 16,1-14 verwerkt), waarvan een hebreeuwse tekst in Qumran is gevonden.
Het Boek der p. is in vijf boeken ingedeeld (1-41;
42-72; 73-89; 90-106; 107-150). Het einde van ieder
boek wordt gemarkeerd door een doxologische
slotformule (behalve in 150,6). Mogelijk correspondeert
de vijfdeling van het Boek der p. met de
vijfdeling van de Pentateuch (vgl. Midrasj
Tehilim 1,1) en stemt het aantal p. overeen met het
aantal sabbatten gedurende drie jaar.
Gelijke of nagenoeg gelijke p. (14 en 53; 40,14-18
en 70; 57 ,8 -12, 60,7-12 en 108) wijzen op oorspronkelijk
zelfstandige verzamelingen. Deels op grond
van de opschriften, deels op grond van de inhoud
wijst men een aantal eenheden aan, bv. 3-41: Davidspsalmen,
42-49: Korach-psalmen, 93-99: p. die
het koningschap van JHWH bezingen, 111-118:
Halleluja-psalmen, 120-134: p.-hama'alot ('bedevaarts-psalmen'),
enz.

De opschriften duiden een relatie aan met een bepaalde persoon of groep van personen, slechts 50 zijn anoniem ('verweesd', bab.Bar. 24b). In de opschriften wordt David in 73 p. genoemd, Salomo in Ps 72,127, Mozes in Ps 90; levieten worden vermeld in 88 (Heman), 89 (Etan), 42,44-49, 84v, 87v (Korachieten), 50,73-83 (Asaf). In discussie is hoe de aanduiding le voor de persoonsnaam geïnterpreteerd moet worden: auteursschap, 'behorend tot (de verzameling van)' of '(gedicht) ten behoeve van'. De opschriften der p. duiden de liederen met verschillende termen aan: sir (lied), mizmor (lied; door de LXX meestal vertaald met ψαλμός), miktam (lied dat een gebeurtenis onuitwisbaar vasthoudt?), maskil (kunstlied), sigayon (klaaglied?), tehilah (loflied), tefilah (klaag- en smeekgebed). Wat de vorm en de inhoud van de p. betreft heeft men gewezen op invloeden van of parallellen met buitenbijbelse poëzie, zoals de zonnehymne van Ichnaton/Amenophis IV, individuele hymnen en klaagliederen in het akkadisch en kanaanitisch-syrische poëzie uit Ugarit.
Evenals elders in de oudoosterse literatuur vindt men in de hebreeuwse poëzie parallelismus membrorum, te onderscheiden in synoniem parallelisme (bv. in Ps 114), antithetisch (bv. in Ps30,6), synthetisch (waar de tweede vershelft de gedachte van het eerste lid voortzet en aanvult, bv. in Ps 30,2), en klimaktisch (waar de tweede vershelft een woord van de voorafgaande stichos weer opneemt, bv. in Ps 93,1).
Verschillende factoren bemoeilijken de oplossing van de vragen rondom de metriek: onzekerheid omtrent periode van ontstaan, problemen van de uitspraak, mogelijke fouten in de overgeleverde tekst. Omdat ook in andere poëtische teksten uit het oude Oosten geledingen aangetoond zijn, lijkt het waarschijnlijk dat ook in de p. een metriek te ontdekken moet zijn. Sommige onderzoekers nemen aan dat er sprake is van een alternerend kwantiteitensysteem met als jamben of trocheeën gelezen versvoeten (Bickell, Hölscher en ook Mowinckel). Anderen ontdekken een accentuerend systeem waarbij de anapest bepalend is (Ley, Budde, Sievers).
Het moet als de verdienste van Hermann Gunkel beschouwd worden dat hij gepoogd heeft de p. wetenschappelijk naar inhoud te groeperen. Hij concludeert tot een aantal genres ('Gattungen'), elk bepaald door een relatie tot de cultus, een ideeëncomplex dat is gegeven met de 'Sitz im Leben' en een gemeenschappelijke 'Formensprache'. Zich mede baserend op Gunkels onderzoek onderscheidt Kraus: de hymne, klacht-, dank- en vertrouwensliederen van de enkeling, klacht-, dank- en vertrouwensliederen van het volk, de koningsp., de Zionsliederen, de geschiedenisp., de Torahp. en wijsheidsp.
De vragen omtrent de verhouding der p. tot de cultus en in verband daarmee de vraag naar een beheersend principe van interpretatie der p. kan van verschillende kanten worden benaderd. Enerzijds kent men de scandinavische school (van Mowinckel tot Engnell), die de p. ziet in het kader van het oudoosters ritueel van de levensvernieuwing bij de overgang van oud- naar nieuwjaar; daartegenover staat de richting die geen hypothetische situatie van ontstaan aanneemt, maar die iedere psalm verklaart als een voltooide zelfstandigheid en stelt dat het werk (het gedicht) vanuit zichzelf (ergocentrisch) geïnterpreteerd wil worden (Weiss, Alonso Schökel, Van Uchelen).
Voor het bepalen van de ontstaanstijd van de meeste p. ontbreken aanknopingspunten; hoogstens zijn bepaalde p. te relateren aan bepaalde bijbelverhalen, waardoor men (misschien) een terminus post quem zou kunnen vinden. Het vermoeden bestaat dat de verzameling als geheel rond 300 vC was gevormd, terwijl de vroegste p. uit de 12e eeuw vC zouden dateren.
Behalve de p. in het Boek der P. zijn p. elders in
de hebreeuwse canon bewaard, bv. IS 2 en Jona 2.
Buiten de canon kennen we de P. van Salomo, oorspronkelijk
in het hebreeuws geschreven, in het
grieks of syrisch overgeleverde teksten uit het midden
van de 1e eeuw vC, en verder vijf syrische p.
Van deze laatste heeft men drie in oorspronkelijk
hebreeuws in Qumran teruggevonden.
Lit. Bibliografie: J. Stamm (Theologische Rundschau N.F. 23,
1955, 1-68). Galling (RGG 5, 672-684). H. J. Krans, P. 1
(Neukirchen 1961) 81-90). L. Alonso-schökel, Das AT als literarisches
Kunstwerk (Köln 1971) hoofdstuk 2 (Stilistik des
Rhytmus). 80-90 (chronologischer Katalog 1580-1968). - E.
Lipinski (DES 9, 1-214).
Tekstedities en commentaren: H. Bardtke, Sefer Tehilim. Liber
Psalmorum (Biblia Hebraïca Stuttgartensia; Stuttgart
1969). - H. Gunkel (Göttingen 1926). H. J. Kraus (Neukirchen
1961). M. Dahood (New York 1966-1970). N. A.
van Uchelen (Nijkerk 1971vv). I. v. d. Ploeg (Roermond
1971 vv).
Studies: S. Mowinckel, P. Studien (Oslo 1921-1924 = Amsterdam
1961). F. Stummer, Sumerisch-akkadische Parallelen
zum Aufbau alttestamentlicher P. (Paderborn 1922 = New
York 1968). H. Gunkel/J. Begrich, Einleitung in die P. Die
Gattungen der religiösen Lyrik Israels (Göttingen 1933). J.
H. Patton, Canaanite Parallels in the Boek of Psalms (Baltimore
1944). A. Lauha, Die Geschichtsmotive in den alttestamentlichen
P. (Helsinki 1945). G. W. Ahiström, Psalm 89.
Eine Liturgie aus dem Ritual des leidenden Königs (Lund
1959). A. Arens, Die P. im Gottesdienst des Alten Bundes
(Trier 1961). K. H. Bernhardt, Das Problem der altorientalischen
Königsideologie im AT unter besonderer Berücksichtigung
der Geschichte der P.exegese dargestellt und kritisch
gewürdigt (VTS 8, Leiden 1961). M. Weiss, Wege der
neuen Dichtungswissenschaft in ihrer Anwendung auf die
P.forschung. Methodologische Bemerkungen, dargelegt am
Beispiel von Psalm xlvi (Biblica 42, 1961, 255-302). J. A.
Lamb, The Psalms jn Christian Worship (London 1962). Le
Psautier. Ses origines, ses problèmes
littéraires, son influence
(Louvain 1962). H. Zirker, Die kultische Vergegenwärtigung
der Vergangenheit in den Psalmen (Bonn 1964). A. Hurwitz,
The Identification of Post-exilic Psalms by Means of Linguistic
Criteria (Tel Aviv 1966; hebreeuws). M. Weiss, The
Bible and Modern Literary Theory² (Jerusalem 1967; hebreeuws).
A. Sendrey, Music in Ancient Israel (London
1969). R. Martin-Achard, Approche des psaumes (Neuchâtel
1969). O. Keel, Die Welt der altorientalischen Bildsymbolik
und das AT am Beispiel der Psalmen (Neukirchen 1972). N.
H. Ridderbos, Die Psalmen. Stilistisches Verfahren und Aufbau,
mit besonderer Berücksichtigung von Ps 1-41 (BZAW
117; Berlin 1972). P. Neumann ed., Zur neueren P.forschung
(Wege der Forschung 192, Darmstadt 1976). [Hoogewoud]