Vigilie (latijn vigilia, grieks ἀγρυπνία), aanduiding van de nachtelijke wake in het vroege christendom, die gewijd was aan bijbellezing en gebed. De officiële v. van de gemeente werd gewoonlijk met een eucharistische viering afgesloten (cf. Plinius minor, Epistula 10, 96, 7). Een v. werd in de 2e eeuw o.a. gehouden vóór de jaargedachtenis van een martelaar en, zoals Tertullianus bericht, ook in het kader van verstervingen op de dagen van de statio. De paasvigilie heeft een bijzonder accent gekregen; Augustinus (Sermo 219) noemde deze mater omnium vigiliarum.
In de wereld van de monniken behoorde het nachtelijk
waken tot de gangbare ascetische praktijken.
Omdat in de loop van de tijd wereldlijke elementen
bij de nachtelijke vieringen binnendrongen, nam de
kerkelijke overheid maatregelen om uitwassen te
voorkomen. Zo werd reeds ca. 300 op de synode
van Elvira bepaald dat geen vrouwen aan privé-v.s.
mochten deelnemen. Geleidelijk werden de v.s voor
hoge feesten omwille van het volk naar de vooravond
verplaatst. De volgende liturgische dienst
werd dan door de geestelijkheid om middernacht of
in de zeer vroege morgen gecelebreerd.
Lit. J. Stadlhuber, Das Stundengebet der Laien im christlichen Altertum
(ZkTh 71, 1949, 29-183). J. Hanssens, Nature et genèse de
l'office des Matines (Rome 1952). A. Baumstark, Nocturna laus
(Münster 1957). C. Marcora, La vigilia (Milaan 1954). [Bartelink]