Mineeën

kaartMineeën, een van de belangrijkste bevolkingsgroepen van het oude Zuid-Arabië naast de Sabeeën en de bewoners van Qatabān en die van Hadramaut.

Aanvankelijk meende men dat hun rijk Ma'īn aan dat van de Sabeeën voorafging en daarom geplaatst moest worden in zeer vroege tijd, ongeveer van 1400 tot 650 vC. Latere onderzoekingen hebben echter overtuigend aangetoond dat de M. veel later gedateerd moeten worden. Niet alleen hetgeen klassieke auteurs berichten pleit daarvoor, maar meer nog de resultaten van de amerikaanse expeditie naar Zuid-Arabië van 1950-1951, waaraan o.a. W. F. Albright deelnam. Duidelijk kwam toen aan het licht dat het rijk Qatabān, dat, naar de inscripties aantoonden, gelijktijdig is geweest met Ma'iin, in zijn bloeiperiode sterke hellenistische invloeden heeft ondergaan en dat zijn opkomst ca. 360 vC gesteld moet worden. Dit impliceert echter dat ook het rijk Ma'īn in dezelfde tijd is opgekomen en niet vele eeuwen eerder, zoals men aanvankelijk dacht.

De M. hebben waarschijnlijk omstreeks 400 vC een eigen rijk gevormd naast dat van de Sabeeën. Hun hoofdstad werd Qarnāw (tegenwoordig Ma'īn) en hun religieus centrum Yathīl (tegenwoordig Barāqish). Zij kregen grote invloed en beheersten in bepaalde tijden de karavaanwegen naar het noorden. Omstreeks 50 vC werden zij door de Sabeeën opnieuw onderworpen en verdwenen zij als zelfstandige macht uit de historie.

In hun bloeiperiode hadden de M. een handelskolonie in de oase Dedan (tegenwoordig El-'Ulā). Zij hadden daar een eigen tempel en stonden onder het gezag van een verteggnwoordiger van het minese rijk, die Kabīr (hoofd) genoemd werd. In een vijftal minese inscripties uit deze kolonie, die de naam Ma'īn Musrān, 'de M. in het gebied van Egypte', droeg, is sprake van tempelpersoneel dat aangeduid wordt met de naam Lawa'u en Lawi'atu, een aanduiding die wel vergeleken is met die van de Levieten in het OT.

De handelsbetrekkingen der M. strekten zich zeer ver uit, zoals blijkt uit minese inscripties, die niet alleen in het noorden van de Hidjāz en langs de karavaanwegen naar Egypte gevonden zijn, maar ook in Memphis, in Uruk-Warka en zelfs op Delus. Soms is gedacht dat ook het OT melding van hen maakt op plaatsen als 1Kr4,41; 2Kr20,1; 27,7; Ezr2,50 (= Neh 7,52), doch op al deze plaatsen gaat het over de Meünim, de bewoners van de oostelijk van Petra gelegen oase Ma'ān. De M. vereerden Wadd, de maangodheid, Attar, de Venusster, en Nakrah, de zonnegodheid.


Lit. F. Hommel, Geschichte Südarabiens (in D. Nielsen/F. Hemmel/N. Rhodokanakis, Handbuch der altarabischen Altertumskunde 1, Kopenhagen 1927, 51-108). K. Mlaker, Die Hierodulenlisten von Ma'in (Leipzig 1943). M. Tawfiq, Les monuments de Ma'iin (Le Caire 1951). W. F. Albright, The Chronology of the Minaean Kings of Arabia (BASOR 129, 1953, 20-24). J. Ryckmans, Zuidarabische kolonisatie (JbEOL 15, 1957/58, 239-248). D. S. Attema, Arabië en de Bijbel (Den Haag 1961) 18v, 32v. H. von Wissmann, Zur Geschichte und Landeskunde von Alt-Südarabien (Wien 1964). M. Höfner, Die vorislamischen Religionen Arabiens (in Gese/Höfner/ Rudolph, Die Religionen Altsyriens, Altarabiens und der Mandäer, Stuttgart 1970). [Attema]


Kaart