Het gehele land was vol bewondering voor zijn daad en Creon, de koning van
Thebe, gaf hem als beloning zijn dochter Megara tot vrouw. Ook de goden
gaven de overwinnaar geschenken: Hermes hing hem een zwaard om, Apollo
gaf hem scherpe pijlen. Hephaestus een gouden pijlkoker en Athene schonk
hem een harnas.
Spoedig kon de held bewijzen hoe dankbaar hij de goden was voor die
onderscheidingen. De Giganten, reuzen met afschuwelijk gelaat, lange haren en baard,
waren monsters die Gaea, de Aarde, ter wereld had gebracht. Opgestookt door
hun moeder, kwamen zij in opstand tegen Zeus, de hoogste heerser. Over een
wijd gebied stormden zij in Thessalië plotseling uit de onderwereld. Bij hun
aanblik verbleekten de sterren van vrees en Apollo deed de zonnewagen zwenken.
"Gaat heen en neemt wraak," sprak de Aarde tot haar zonen. "Prometheus wordt
gemarteld door een adelaar, Atlas moet de hemel dragen en vele Titanen zijn
in boeien geklonken. Neemt wraak en redt hen! Gebruik mijn eigen ledematen,
de bergen, als ladder, als wapen! Jij Enceladus, bemachtig de zee en verdrijf
Poseidon. Rhoecus moet de zonnegod de teugels uit de hand rukken, Porphyrio
heeft de taak het orakel van Delphi te veroveren." Bij deze woorden begonnen
de reuzen luid te juichen, alsof zij de overwinning reeds hadden behaald, alsof
zij Poseidon of Ares al in triomf meesleepten en Apollo sleurden aan zijn prachtig
golvend haar. De een noemde Aphrodite zijn vrouw, de ander had zijn zinnen
op Artemis gezet, een derde begeerde Athene. Aldus trokken zij de Thessalische
bergen in om van daar uit de Olympus te bestormen.
Intussen riep Iris alle hemelingen bijeen die in in de zeeën en rivieren verblijf hielden en zelfs de schimmen in de onderwereld. Ook Persephone verliet haar duister rijk en haar gemaal, de koning der zwijgende schimmen, reed met zijn lichtschuwe paarden naar de stralende Olympus. Zoals alle bewoners tezamen stromen wanneer een stad door de vijand belegerd wordt, zo verzamelden zich alle goden in het huis van hun grote vader.
"Gij ziet," zo sprak Zeus tot hen, "hoe Moeder Aarde met een nieuw gebroed
tegen ons samenspant. Ten strijde! Zendt haar even zo vele lijken omlaag als
zij zonen omhoog stuurt!"
Toen de vader der goden zweeg, bulderde zijn donder uit de hemel en de afgrond
antwoordde met dof gedreun. Alles geraakte in verwarring zoals ten tijde
van de Schepping. De Giganten rukten de ene berg na de andere uit de aarde,
sleepten de Ossa, de Pelion, de Oeta en de Athos aan, braken de Rhodope af
en klommen op de ladder van bergen omhoog, hoger en hoger naar de zetel
der goden. Daar begonnen zij de Olympus te bestormen, gewapend met brandende
eiken en geweldige rotsblokken.
Een orakelspreuk had de goden eens verkondigd dat de Giganten slechts kwetsbaar zouden zijn, wanneer een sterveling aan de zijde der hemelingen mee zou strijden. Dit was Gaea ter ore gekomen en zij zocht daarom een middel dat haar zonen ook in de strijd met een sterveling onkwetsbaar maken zou. Dit toverkruid bestond, dat wist zij. Maar Zeus verijdelde haar plan; hij gebood de maan, de zon en het morgenrood hun schijnsel te staken en terwijl Gaea in de duisternis tastend rondzocht, sneed hij alle kruiden af die haar van nut konden zijn. Ook liet hij zijn zoon Heracles door Athene ten strijde roepen.
Op de Olympus was intussen een geweldige strijd ontbrand. Ares had zich op zijn strijdwagen met de wild-hinnikende paarden tussen de vijandelijke scharen begeven. Zijn gouden schild vlamde feller dan vuur, glanzend fladderden de vederbossen van zijn helm. In het strijdgewoel doorboorde hij de Gigant Pelorus wiens voeten twee levende siangen waren. Daarna reed hij over de gevallen reus heen, maar pas bij de aanblik van de aardse Heracles blies het monster zijn drie zielen uit.
![]() |
Alcyoneus Zeusaltaar Pergamon, Berlijn |
Nu ging de Gigant Porphyrio met dreigende houding op Heracles en Hera toe om met beiden tegelijk te strijden. Maar Zeus legde in zijn ziel de wens om het goddelijke gelaat van de hemelvorstin te willen zien. Terwijl Porphyrio aan Hera's sluier trok, liet Zeus zijn bliksem op hem neerkomen en Heracles doodde hem met een pijl. Daarna stormde uit het gelid der Giganten met fonkelende reuzenogen Ephialtes toe. "Dat zijn lichtende schijven voor onze pijlen!" riep Heracles lachend Apollo toe die naast hem streed en de god schoot door het linkeroog en de halfgod door het rechter. Dionysus sloeg met zijn thyrsusstaf de reus Eurytus ter aarde; een regen van gloeiend ijzer uit de hand van Hephaestus velde Clytius neer. Pallas Athene slingerde het eiland Sicilië naar de vluchtende Enceladus en bedolf hem er onder. De rest wierp Zeus met zijn bliksemschichten neer en Heracles maakte met zijn pijlen een einde aan hun leven.
Zeus noemde voortaan de goden, die aan de strijd deelgenomen hadden, de 'Olympiërs' om door deze eretitel de dapperen te onderscheiden. Slechts twee zonen van aardse vrouwen kende hij dezelfde eer toe: Dionysus, die ook wel Bacchus genoemd werd en Heracles de held.