Mine, oudmesopotamische gewichtseenheid van ca. 500 gram, reeds kort na 3000 vC in gebruik onder de naam mana, die niet te scheiden is van het akkadische werkwoord manā'um, 'tellen'. De m. werd in vele landen van het oude Voor-Azië overgenomen, ook in Israel (blijkens jongere teksten uit het OT), als mānè (grieks μνᾶ, Mna). Het normale gewicht van de m. was ca. 505 gram, wat vermoedelijk het resultaat was van een standaardisatie rond 2000 vC, waarvan Urnammu in de proloog van zijn Codex gewag maakt. De standaardvorm der gewichten werd toen de eendevorm; later kende men in Assyrië ook de leeuwevorm. Het opschrift op de wand in Dn5 - menē teqēl ūfarsīn - is zo te verklaren dat Daniël de getekende gewichtsstenen als werkwoordsvormen interpreteerde: mine = 'geteld', enz.
Naast de standaardm., gebaseerd op een sikkelgewicht
van ca. 8,4 gram, kende men later de lichtere
babylonische m. van ca. 490 gram, en ook een
1/36 zwaardere, assyrische koningsmine. In Babylonië
vormden 60 sikkels 1 m. en 60 m.n één talent (ruim
30 kg). In de omringende landen varieerde dit: in
Nuzi kende men een m. van 100 sikkels, in Ugarit,
Alalach en Israel ook een m. van 50 sikkels (470
gram, gebaseerd op de zware sikkel van 9,4 gram),
bij de Hethieten een m. van 40 sikkels.