Tell, arabisch woord voor ruïneheuvel (perzisch tepe, turks hüyük). Deze voor grote delen van het Nabije Oosten kenmerkende vorm van oude nederzettingsresten is ontstaan doordat het gebruikelijke bouwmateriaal, kleitichels, bij verwering een ophogende laag vormt en doordat latere bewoners wegens de nabijheid van een bron of uit veiligheidsoverwegingen hun huizen doorgaans op dezelfde plek bouwden als hun voorgangers. Vaak heeft de aanwezigheid van massieve stadsmuren de erosie langs de rand voorkomen, waardoor een tafelvorm is ontstaan. De veelvuldige oorlogshandelingen leidden dikwijls tot verwoesting door brand, waardoor de inhoud der huizen onder de neergestorte daken bewaard bleef, de kleitichelmuren tot baksteenmuren werden en minder gemakkelijk verweerden. Zeer hoge tells die getuigen van bewoning gedurende duizenden jaren, zoals Ninive (27,5 m hoog) en Hamath (46 m hoog), zijn vooral ontstaan in het regenlandbouwgebied van Noord-Irak, Noord- en West-Syrië. In de jaren '20 van deze eeuw zetten enkele amerikaanse universiteiten ambitieuze expedities op touw, die tot taak hadden veelbelovende t.s zoals Megiddo en Gawra in hun geheel laag voor laag af te graven, waardoor de opeenvolging der verschillende cultuurfasen kon worden onderzocht. Door geldgebrek kwam in de jaren '30 een eind aan de uitvoering van de plannen. Nu entameren de archeologen meestal kleinere objekten en reserveren daarbij een deel van de t. voor toekomstig onderzoek.
Een moeilijkheid is dikwijls dat de opbouw van een t. niet strikt vertikaal laag op laag geschiedde, maar de bewoning horizontaal over het oppervlak van de t. verschoof. In de wijde rivierdalen was dit nog sterker het geval, doordat daar de bewoning gebonden was aan de wisselende loop van rivieren en kanalen. De t.s die men er vindt zijn dan ook uitgebreid maar niet hoog (bv. Kis 5,6 km², tot 20 m hoog; Isin 1,6 km², tot 9 m hoog). In zeer droge vlakten zoals Zuid-Irak, Noordoost-Arabië en Oost-Iran heeft de wind soms de verweerde kleitichels weggeblazen; alleen een stapel potscherven, maalstenen e.d. verraadt dan de oude bewoning.
De t. moet onderscheiden worden van een lagere
verheffing van de aardbodem, die men hirbe noemt.
Lit. R.M. Adams/H.J. Nissen, The Uruk Countryside (Chicago
1972). W.J. van Liere, Capitals and Citadels of Bronze-Iron Age
Syria (Annales archéologiques de Syrie 13, 1963, 109-122).
[van Loon]