Belet- (akkadisch bêlet- of bêlat-: vrouwe van, gebiedster
over), component van vele namen van babylonische
godinnen, verbonden met namen van
steden, tempels, localiteiten, en verschillende nomina,
waardoor een titel ontstaat die meer weg heefi
van een epitheton dan van een echte naam (sumerisch
equivalent: nin; mannelijk: bêl). De bekendste
is B.-ili (meesteres der goden), een van de personificaties
van de moedergodin die onder de sumerische
naam Ninmach of dMach (de verhevene) met An(u)
en Enlil tot de voornaamste godentrias behoort.
Zij speelde een belangrijke rol bij de schepping van
goden en mensen, onder de namen/gestalten van
dMach, Ninchursag, Mami, Nintu of Aruru, o.a. in
het Atrachasis-epos, het akkadische scheppings-epos.
Een gebed tot haar in A. Falkenstein/W. von Soden,
Sumerische und akkadische Hymnen und Gebete
nr. 60, blz. 327. - Andere bekende godinnefiguren
wier naam het element B. bevat zijn o.a. B.-Babïli,
B.-Nippûri, B.-Akkâdi, B.-Suchnir, B.-êkalli, B.samê,
B.-balâti, B.-chisâri, B.-sêri, B.-eanna, en in
het assyrische gebied: B.-Ninuaki (vrouwe van Nineve),
B.-mâti (vrouwe van het land, vorm van de
Etar van Kalach), B.-Arba'ili (Ištar van Arbela).
De meeste godinnen van dit type schijnen Ištarfiguren
of moedergodinnen te zijn, al dragen enkele
ervan eigen, kenmerkende trekken.
Lit. Over B. in het algemeen: Chicago Ass. Dict. 2 s.v. bêltu
1, 5'. Over de diverse godinnenamen: RLA 1, 473v; A.
Deimel, Pantheon Babyloniacum nr. 366v; R. Frankena,
Tâkultu blz. 80v, nr. 20v, 23-29 (vgl. BiOr 18, 1961, 205 nr.
25). Over B.-ili: K. Tallquist, Akkadische Götterepitheta
(1938) 273v. Over B.-Babîli: W. vom Soden (ZA 51, 159; 52,
233). Over B.-êkalli: Chicago Ass. Dict. 4, blz. 55, 10' en
Studia Mariana blz. 43. Over B.-sêri: Chicago Ass. Dict. 16,
blz. 147, 2'; B. Meissner, Babylonien und Assyrien 2 (Heidelberg
1925) 25.
[Veenhof]