Socii, bondgenoten. In staatsrechtelijke zin duidde de term de met Rome verbonden gemeenschappen in en buiten Italië aan. De aparte status van de Latijnen blijkt uit de formule socii nominisque Latini ('bondgenoten en al wat Latijn heet'); zij hadden dan ook een zeer bevoorrechte positie. Door een bij verdrag (foedus) gesloten bondgenootschap werd het desbetreffende gebied een civitas foederata van Rome. De bepalingen van het verdrag konden van geval tot geval verschillen. Het kon op voet van gelijkheid of ongelijkheid worden gesloten (foedus aequum of iniquum); in het eerste geval bleven de s. althans juridisch soeverein. Tot de bepalingen behoorden de verplichting tot eerbiediging van de soevereiniteit van Rome en tot het leveren van troepen. Het voeren van een eigen buitenlandse politiek was uitgesloten. In het binnenlands bestuur genoten de s. echter een grote autonomie: zij behielden hun eigen instellingen en burgerrecht en waren niet belastingplichtig jegens Rome. Wel werden vaak romeinse instituties plaatselijk geïmiteerd en soms kende Rome aan s. bijzondere rechten toe, zoals het ius conubii en het ius commercii (civitas). Anderzijds kon de senaat bij hen ook op het treffen van bijzondere maatregelen aandringen.
Niet altijd waren de s. tevreden over hun relaties met Rome. In 91 vC explodeerde het misnoegen in de bondgenotenoorlog, die resulteerde in de lex Iulia en de lex Plautia Papiria, die het romeinse burgerrecht verleenden aan de italische s. (resp. 90 en 89 vC).
Tot de oudste s. buiten Italië behoorden Carthago en Massilia. Hun aantal nam met de uitbreiding van het rijk na 200 vC snel toe. Met griekse stadsstaten, bonden en vorsten werd gewoonlijk een foedus aequum gesloten, zonder de verplichting tot het leveren van troepen; wel zonden zij vaak ruiterij of lichtgewapenden als hulptroepen.
Vanaf 188 vC is er ook vaak sprake van een informele
amicitia, welk begrip steeds meer met societas
identiek werd. De hoge mate van vrijheid van de s.
blijkt om. uit hun muntrecht. Toch kon Rome
ook hun vrijheden inperken, waardoor zij civitates
stipendiariae werden; hun voornaamste verplichting
was dan het betalen van tribuut.
Lit. Th. Mommsen, Römisches Staatsrecht 3,1 (Leipzig 1887)
590-823. A. Rosenberg, Der Staat der alten Italiker (Berlin
1913). E. Täubler, Imperium Romanum. Studien zur Entwicklungsgeschichte
des römischen Reiches 1. Die Staatsverträge
und Staatsverhältnisse (Leipzig 1913). A. Heuss,
Die völkerrechtlichen Grundlagen der römischen Aussenpolitik
in republikanischer Zeit (Klio, Beiheft 18, Leipzig
1933). J. Göhler, Rom und Italien. Die römische Bundesgenossenpolitik
bis zum Bundesgenossenkrieg (Diss.Breslau
1939). G. H. Stevenson, Roman Provincial Administration
till the Age of the Antonines (Oxford 1939). E. Badian,
Foreign Clientelae (Oxford 1958). E. Meyer, Römischer
Staat und Staatsgedanke?- (Zürich 1961). W. Dahlheim,
Struktur und Entwicklung des Völkerrechts im 3.
und 2. Jahrhundert v. Chr. (München 1968). E. T. Salmon,
Roman Colonization under üw Republic (London
1969). M. Wegner, Untersuchungen zu den lateinischen
Begriffen socius und societas (Göttingen 1969).
[A. J. Janssen]