Vicus, in het romeinse rijk erkende agglomeratie of woongemeenschap (dorp) op het platteland of wijk in een stad. Op het land maakte een v. deel uit van een pagus en was meestal tevens marktplaats. Vici konden ook liggen op particuliere of keizerlijke landerijen; in dit geval ressorteerden zij onder de plaatselijke landheer of een keizerlijke procurator en stonden zij los van het municipale systeem waartoe de overige behoorden. Als bestuurders worden door de inwoners gekozen magistri of aediles genoemd. Een v. had een sacrale en administratieve functie en droeg zorg voor de gemeenschappelijke godenverering en het beheer van het bezit van de god. Als priesters worden dicatores vermeld. Langzamerhand ontwikkelden vici zich tot steden; zij worden in de lex Rubria onder de plaatsen met jurisdictie genoemd.
In de steden zijn de vici zoveel als stadswijken. Augustus verdeelde in 7 vC Rome in 14 regiones met in totaal 265 vici, ieder onder vier vicomagistri. Dezen waren belast met het toezicht op de staatsheiligdommen en tijdelijk ook met de brandweer. Ten tijde van Constantijn had Rome 307 vici en 672 vicomagistri.
Soms wordt v. ook gebruikt voor straat (bv. de Vicus
Tuscus te Rome) of landgoed.
Lit. A. W. van Buren (PRE 8A, 2090-2094). - F. F. Abbott/A. C.
Johnson, Municipal Administration in the Roman Empire (New
York 1968). [A. J. Janssen]