In de romeinse godsdienst, die anders dan
de griekse, minder aandacht had voor de persoon
van de god dan voor zijn zich concreet realiserende
wilsuiting, was n., 'goddelijke kracht', een kernbegrip.
Van Accius
tot in de late republiek duidde n.,
vergezeld door de genitief van de naam van een
god, niet de godheid aan, maar de ongedifferentieerde
vis divina (δύναμις θεοῦ; vgl. mama), die zich
evenwel individualiseerde in de werking van een bepaalde
god en waaraan verheven realiteiten (senatus
en populus Romanus bij
Cicero, mens bij
Lucretius)
participeerden. Hieruit ontwikkelde zich in
Augustus' tijd de betekenis 'god' zelf, weldra
uitgebreid tot de 'actieve geest' van bron, stroom, bos
of plaats. Tevens werd het begrip op de levende
keizer overgedragen, hoewel hij slechts een n. bezat,
niet werd, zoals hij evenals de godheid een
genius had maar niet was. N. en genius kregen in
de volkse inscripties wel dezelfde inhoud, doch dekten
elkaar theologisch niet. Etymologie (*nuere?)
en ouderdom (relatief jong?) van het woord staan
niet zeker vast.
Lit. Fr. Pfister (PRE 17, 1273-1291). - H. Wagenvoort,
Roman Dynamism (Oxford 1947) 73-83. H. J. Rose, N. and
Mana (HThR 44, 1951, 109-20). W. Pötscher, N.
(Gymnasium 66, 1959, 353-374).
[Sanders]