Panem et circenses, brood en spelen in het circus,
waren de twee onmisbare elementen die de menigte - dus het plebs - rustig hielden.
Het brood hadden alleen de armen nodig, maar de schouwspelen van het circus, de
ludi circenses, vielen bij allen in de smaak. En wanneer een of andere Romein
ertegen protesteerde, was het meer een kwestie van smaak dan van moraal.
De ludi circenses waren verschillend: het waren hanengevechten, waarvan
de dames hielden; het waren jachtpartijen, (venationes), waarin mensen
op verschillende manieren bewapend tegenover allerlei wilde beesten stonden:
tijgers, panters, leeuwen, beren, stieren; het waren terechtstellingen van
misdadigers ad bestias, waarbij de veroordeelden als maaltijd voor de
wilde beesten geworpen werden of op een gruwelijke manier moesten sterven,
gewoonlijk met het voorwendsel van het weer oproepen van een of andere mythe
of episode uit de geschiedenis.
Maar de geliefdste vorm was die van de ludi gladiatori: de strijd van man
tot man.
De gladiatoren, zo geoefend dat ze echte vechtmachines werden,
wedijverden met elkaar, voorzien van gelijke of verschillende bewapening, terwijl zij
probeerden de ander te treffen of te doden. Als een van hen verloor, hing zijn lot af
van het humeur van het publiek: als allen met hun zakdoek zwaaiden, mocht hij blijven
leven, maar waneer zij hun hand uitstaken met de duim naar beneden (of naar de borst)
(met het teken van n34;pollice verson34;), betekende dat de dood.
De atleten die optraden in deze wedstrijden, in het algemeen slaven, waren de helden
van het gepeupel; maar men kon zeker niet geloven dat zij van hun ongelukkig lot hielden.
Een van de gladiatorenopstanden, die van Spartacus (73-71 v.C.), was
een van de verschrikkelijkste rampen van Rome.