De Keizertijd duurde ongeveer 5 eeuwen met verschillende fasen
van ontwikkeling, van crisis en van herstel.
Bijna alle volkeren van het Middellandsezeebekken maakten op een gegeven moment deel
uit het rijk. Men ontwikkelde de landbouw, de industrie en de handel:
deze had voordeel van een zeer goede communicatie en van hetzelfde geld in heel het
rijk, daarom van een soort 'moderne gemeenschappelijke markt'.
Om zo'n grote bevolking te onderhouden was er een nieuw type macht nodig.
Het gezag werd geconcentreerd in een enkele persoon, de imperator (keizer).
De ambten van de Republiek werden overgenomen door de keizer of van elke macht beroofd.
De macht van de Imperator was gebaseerd op de kracht van het
leger: het Rijk was in wezen een militaire dictatuur.
Gedurende een zekere periode werd de samenwerking tussen de imperator en
Senaat hersteld, ook omdat deze de troonsopvolger moest aanwijzen.
Maar spoedig werd de keuze van de keizers door het leger bepaald; daarbij gebruikte het
vaak geweld. De erfopvolging speelde hierbij ook een rol.
Bovendien kon de keizer rekenen op zijn gevolg: zijn eigen partij, zijn
familieleden, de medewerkers en de vrijgelatenen.
De provincies van het Rijk groeiden mettertijd in belang en de provincialen werden
toegelaten tot de Senaat en tenslotte tot de troon, totdat
Caracalla het Romeinse
burgerrecht gaf aan alle vrije burgers van het rijk.